vrijdag 15/11/2019

Top Header

Talen

Vergeet de COP 21 niet!

Responsible Investment Strategist

Enkele weken na de VN Klimaattop in Parijs, kwamen de belangrijkste projectleiders afgelopen week opnieuw samen in New York om het momentum van Parijs verder te ondersteunen. Volgens de Uitvoerend Secretaris van de FFCCC (United Nations Framework Convention on Climate Change), Christiana Figueres, was hetgeen er in december gebeurde in Parijs in veel opzichten een mirakel. De impact van de overeenkomst is voor alle bedrijfstakken enorm, en het is een ongeziene kans. Tegelijkertijd is het ook een grote verantwoordelijkheid.

De grootste uitdaging zal er immers in bestaan om de doelstellingen van de verschillende landen om te zetten in concrete verwezenlijkingen voor elk land.

Het initiatief van de Montreal Carbon Pledge, die erin bestaat dat beleggers die dit initiatief onderschrijven de koolstofafdruk van hun portefeuille analyseren en publiceren, kreeg bijzondere aandacht.

Naast het bekendmaken van de koolstofafdruk is het echter nog belangrijker om het koolstofrisico te analyseren als een economisch risico. Het heeft ook een materiële impact  op de bedrijfsmodellen.

Met name voor de oliebedrijven hebben het koolstofrisico en het concept van de zogenaamde stranded assets – namelijk olie- en gasreserves die niet langer exploiteerbaar zijn indien de regelgeving om de klimaatopwarming te beperken tot 2°C strenger wordt – de businessmodellen van deze bedrijven aanzienlijk door elkaar geschud. Zo richten de meeste bedrijven zich op gas ten koste van olie, vooral omdat gas minder broeikasgassen uitstoot. Investeringen in hernieuwbare energie, die al bij al bescheiden blijven, stijgen eveneens gevoelig. Daarom besteedt onze duurzame benadering de nodige aandacht aan de energiemix van de bedrijven en hun blootstelling aan hernieuwbare energievormen.

Door de capaciteit die de Europese geïntegreerde oliebedrijven hebben ontwikkeld voor elk type hernieuwbare energie te vergelijken met de totale omvang van hun balans, kunnen we een interessante schatting maken van de blootstelling aan elk type. Zo blijkt dat Shell de grootste capaciteit in hernieuwbare energievormen heeft, met name dankzij de blootstelling aan zonne-energie en biobrandstoffen.

Zo werd de sector van de elektriciteitsopwekking rechtstreeks geconfronteerd met een paradigmawijziging als gevolg van het koolstofrisico.

De snelle en aanzienlijke ontwikkeling van hernieuwbare energie heeft het businessmodel van deze sector in Europa immers in snel tempo veranderd en zal het ook in de toekomst nog verder beïnvloeden.

De ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen, die profiteren van een lage marginale productiekost, heeft de elektriciteitsprijzen voortdurend lager gestuwd, wat fors weegt op de rentabiliteit van gas- en steenkoolcentrales.

De onderstaande grafieken tonen immers de productiecapaciteit van elektriciteit (in de breedte) en de marginale productieprijs (in de hoogte). De vraag naar elektriciteit legt de prijs vast. De grafiek aan de linkerkant geeft de situatie weer vóór de enorme opkomst van hernieuwbare energie (rond 2000-2005). In die tijd waren de steenkoolcentrales nog rendabel, terwijl gas- en oliecentrales dat niet langer waren.

Met de opkomst van de hernieuwbare energie nam de capaciteit toe (de breedte van het groene blok nam toe) en duwde dit de andere bronnen van elektriciteitsopwekking naar rechts, terwijl de vraag niet gevoelig was toegenomen. De steenkoolcentrales werden hier eveneens door beïnvloed en daardoor daalde hun rentabiliteit (na 2005).

Impact van de ontwikkeling van hernieuwbare energie op de rentabiliteit van de verschillende elektriciteitscentrales

 

Zoals de bovenstaande grafieken aantonen, is enkel de elektriciteit die wordt opgewekt op basis van hernieuwbare energie, kernenergie of steenkool/bruinkool nog rendabel. In een normale periode zijn gascentrales daarentegen niet langer rendabel. Ze draaien immers nog maar sporadisch, wanneer het verbruik piekt of kerncentrales bijvoorbeeld tijdelijk niet operationeel zijn.

De bruinkoolcentrales (die bijzonder vervuilend zijn wanneer het op CO2-uitstoot aankomt) blijven winstgevend dankzij de lage kostprijs van deze brandstof, die ruimschoots voorhanden is in Centraal-Europa. Dat neemt niet weg dat dit scenario enkel geldig is indien de prijs van een ton CO2 laag blijft (momenteel rond € 8/ton). De uitdaging van de klimaatverandering kan deze hypothese steeds op de helling zetten als gevolg van een politieke beslissing (zoals het opleggen van een bodemprijs voor CO2 in bepaalde landen of zelfs op Europees niveau).

Zelfs indien het opleggen van een coherente CO2-prijs een grote lacune is geweest van de 21e VN-top, is het een topprioriteit in 2016 volgens de deelnemers aan de top in New York vorige week.

Daarom moet het opgenomen worden in de analyses.

De Europese elektriciteitsbedrijven keren zich stelselmatig af van het gebruik van fossiele brandstoffen zoals steenkool en gas, aangezien het niet langer rendabel is of het onderwerp uitmaakt van ongunstige politieke beslissingen. Daardoor zijn er heel wat bedrijven die hun gas- en steenkoolcentrales sluiten. Laten we het voorbeeld nemen van EON, dat voor meer dan 10 GW capaciteit aan thermische centrales heeft gesloten tussen 2012 en 2015, wat overeenkomt met het equivalent van een tiental kernreactoren!

Over het algemeen willen deze bedrijven zich meer richten op hernieuwbare energiebronnen (die op de een of andere manier gesubsidieerd worden en bijgevolg een goede voorspelbaarheid van de toekomstige resultaten geven) of op activiteiten die gericht zijn op het transport en de distributie van gas en elektriciteit over het netwerk. Die netwerken profiteren immers van vergoedingen die vastgelegd werden door de regelgever en bijgevolg in grote mate voorspelbaar zijn. Bovendien vereisen de netwerken zware investeringen en worden ze dus aangemoedigd door de politieke wereld. Duitsland investeert bijvoorbeeld in de aansluiting van zijn offshore-windmolens met het vasteland en vervolgens in het transport van deze elektriciteit opgewekt door windmolens naar het zuiden van het land. Dat vereist de bouw of de versterking van hoogspanningslijnen.

Wij geven de voorkeur aan investeringen in bedrijven die rendabel zijn en kunnen bogen op een goede voorspelbaarheid van hun inkomsten en cashflows. We geven daarom logischerwijs de voorkeur aan elektriciteitsbedrijven die voor het grootste deel actief zijn in hernieuwbare energie en netwerkactiviteiten (transport en distributie van elektriciteit of gas).

De COP21 is geen mislukking geweest. Het laatste woord is er zeker nog niet over gezegd!

Mail