donderdag 14/12/2017

Top Header

Talen

Maatschappelijke gelijkheid en governance

Responsible Investment Strategist

Wanneer we de duurzaamheid van landen beoordelen, moeten we ook de traditionele groeiwaarderingsmodellen van overheden in vraag durven te stellen. De evoluties die we de afgelopen jaren hebben gezien, hebben deze benadering nog relevanter gemaakt.

 

 

 

De traditionele macro-economische indicatoren in vraag stellen

First of all, we should look into how we assess the productivity of countries – often in a downward trend – while employment is increasingly geared towards personal services which are less ‘productive’ (in the strict sense of the word) than industrial employment, which has decreased in the past few years.

Bovendien moeten we ons op het vlak van tewerkstelling afvragen of werkloosheid nog wel een relevante indicator is om de ondertewerkstelling van een land te beoordelen. Vandaag is de werkloosheidsgraad in de meeste lidstaten gedaald, waardoor er quasi volledige tewerkstelling is. Zo staat die graadmeter in Duitsland op een historisch laag peil. De crisis van 2008 heeft er echter toe geleid dat werklozen niet systematisch zijn opgedoken in de huidige werkloosheidsstatistieken. Deze mensen kunnen echter terugkeren naar de arbeidsmarkt en opnieuw aan de slag gaan. Bovendien zijn de lonen in het algemeen niet significant toegenomen. Dat impliceert dat de arbeidsmarkt nog niet op volledige capaciteit draagt. Hierdoor zou het niet correct zijn om te stellen dat de arbeidsmarkt op volle toeren draait.

De indicatoren verbeteren

Dat verklaart waarom ons duurzaamheidsmodel het criterium rond de werkloosheidsgraad heeft vervangen door twee kwalitatieve criteria die kijken naar de structurele werkloosheid van een land: de langetermijnwerkloosheid (meer dan 12 maanden) en de jeugdwerkloosheid (in functie van de arbeidskrachten met dezelfde leeftijd). Dat kan de maatschappelijke stabiliteit in het gedrang brengen.

Wanneer we kijken naar enkele landen die momenteel een lange werkloosheidsgraad hebben, zien we dat het beeld er heel anders uitziet wanneer we deze twee indicatoren naast elkaar leggen.

Bron: DPAM.

Zo zien we in bepaalde lande, zoals Nederland en Duitsland, dat de werkloosheid laag is, terwijl de langetermijnwerkloosheid (meer dan 1 jaar) hoger is dan gemiddeld.

Maatschappelijke gelijkheid en governance

Deze kwalitatieve analyse van werkloosheid heeft verband met maatschappelijke ongelijkheid. Het begrip ‘werkende armen’ dook op na de crisis van 2008, die heeft geleid tot de opmars van niet-traditionele soorten arbeid die hebben bijgedragen tot de stijging in het aantal werkende armen. Om dit tegen te gaan moeten overheden en openbare instellingen hun verantwoordelijkheid opnemen, voornamelijk door directe maatregelen te nemen zoals loonsverhogingen, minimumlonen of sociale transfers.

Sinds het ontstaan van ons model in 2007 hebben we rekening gehouden met het probleem van ongelijkheid:

  1. Ten eerste de GINI-coëfficiënt, die rekening houdt met de inkomensongelijkheid binnen een land. Hoewel dit misschien geen perfecte indicator is, is het wel een belangrijke graadmeter voor de ongelijkheid binnen een bevolking. Zoals professor Decoster al aangaf in zijn spreekbeurt voor de stuurgroep, moet een dergelijke indicator worden aangevuld door andere factoren waarmee de verschillende aspecten van inkomensongelijkheid in kaart kunnen worden gebracht, met name het aandeel van totale inkomsten dat verdiend wordt door de 20% hoogste inkomensgroepen in functie van het totaal dat verdiend wordt door de laagste inkomensgroepen.
  2. Vervolgens, het aantal mensen dat onder de armoededrempel leeft. Ook in dat aspect zijn de gegevens bijzonder relevant en niet specifiek voor opkomende landen. Integendeel, de kloof binnen de OESO-landen neemt toe en dat is een steeds groter wordend probleem. Het speelt een belangrijke rol in de stabiliteit van structuren en instellingen.
  3. Ten slotte moeten we ook aandacht besteden aan een armoedeverschuiving die steeds meer jonge mensen treft. Hierdoor gaan verschillende generaties met elkaar in conflict komen. Dit komt ook tot uiting in het bestuursmodel van een land. De eerste politieke keuze van jonge mensen is doorgaans onthouding. Verkiezingscampagnes richten zich vaak op de leeftijdscategorieën met het hoogste potentieel. Wanneer we kijken naar de evolutie van de overheidsuitgaven in functie van de leeftijdscategorieën, krijgen we een uitgesproken beeld. Over het algemeen zijn de overheidsuitgaven vooral gericht op de twee uitersten, met name de jongeren (5 tot 20 jaar) en de 60+. De afgelopen twintig jaar hebben veel landen zoals Frankrijk het hoogste uitgavenniveau voor jongeren ongewijzigd gehouden, terwijl het hoogste niveau voor de 60+ aanzienlijk is toegenomen, wat voornamelijk te wijten is aan stijgende kosten voor gezondheidszorg en pensioenen. De evolutie van de afhankelijkheidsratio is ook een belangrijk element om rekening mee te houden en is sterk verbonden met de bestuursinstellingen van een land.

Hoe het bestuursmodel van een land begrijpen

Het bestuursmodel van een land begrijpen is geen eenvoudige opgave, aangezien de looptijd van een bestuursmandaat doorgaans vrij kort is. Daarom moeten we verder kijken dan alleen de regering of de politieke partij(en).

Bestuur heeft verschillende aspecten, denken we maar aan het naleven van fundamentele vrijheden en rechten, gelijke kansen, de kwaliteit van de overheidsinstellingen of de veiligheid van een land. Het komt rechtstreeks tot uiting in de socio-economische resultaten en kan de aanleiding zijn of het gevolg.

Wanneer we bovendien kijken naar de correlatie tussen deze socio-economische indicatoren en het opkomende populisme in verschillende landen, begrijpen we het nauwe verband met bestuurscriteria:

Bron: DPAM.

Lees ook: