vrijdag 20/10/2017

Top Header

Talen

Moeten we bang zijn van een duurzaamheidsrating voor beveks?

Responsible Investment Strategist

“Help, mijn fonds gaat een ESG-rating (environmental, social, governance) krijgen!” Het wereldje van de beleggingsfondsen en beveks werd enkele maanden geleden door elkaar geschud. Morningstar kondigde toen aan dat het zijn databank zou uitbreiden met de ESG-ratings van fondsen.

Op basis van onderzoek naar milieu-, maatschappelijke en bestuurscriteria van het extra-financiële ratingbureau Sustainalytics kent Morningstar voortaan een ESG-rating toe aan de fondsen die in zijn databank zitten. Hoe beter het fonds scoort op het gebied van milieu, maatschappelijk welzijn en deugdelijk bestuur, hoe meer planeten het krijgt.

Deze aankondiging zorgde voor nogal wat ophef en levendige reacties bij asset managers, aangezien deze rating betrekking heeft op alle beleggingsfondsen behalve de fondsen die beleggen in staatsobligaties, los van het feit of ze al dan niet een duurzaam beleggingsbeleid voeren en ESG-selectiecriteria toepassen binnen hun beleggingsproces. We zullen het niet opnieuw hebben over het gebrek aan definitie van ‘maatschappelijk verantwoord beleggen’. Dat is immers een ander debat, maar de bekendmaking van de ESG-rating van een fonds zou kunnen suggereren dat deze rating moet worden verbeterd, wat niet ieders bedoeling is.

Als klap op de vuurpijl kondigde de voornaamste concurrent van Morningstar/Sustainalytics, MSCI ESG Ratings, een gelijkaardig initiatief aan, waarbij ook wordt gekeken naar de ESG-kwaliteit van de beleggingsfondsen, maar dit keer op basis van de extra-financiële ESG-research van MSCI ESG Ratings.

Het is duidelijk dat er een hevige concurrentie wordt gevoerd om het marktleiderschap. Maar wat is uiteindelijk de doelstelling van dergelijke initiatieven? Wat schuilt er achter die ESG-rating en waarom is de sector er zo bang voor?

Een solide en strikte methodologie

Ongeacht over welke leverancier van zogenaamde extra-financiële informatie het ook gaat, de hulpbronnen op het gebied van research zijn solide. Er zijn immers 140-150 analisten die de verschillende sectoren en regio’s onder elkaar verdelen, om de bedrijven zo goed mogelijk te kunnen analyseren op het vlak van milieu, maatschappelijk welzijn en deugdelijk bestuur. Ze concentreren zich op de meest materiële uitdagingen, in functie van hun respectieve sectoren, en kennen een rating toe aan elk van deze aspecten om de bedrijven te kunnen rangschikken van best voorbereid op ESG-uitdagingen tot minst voorbereid. Dat noemen we in het jargon van verantwoord beleggen een ‘best-in-class’-benadering.

Het beoordelingsproces, dat al sinds verschillende jaren bestaat, volgt voortdurend de vooruitgang op die op dat vlak geboekt wordt om zich zo steeds op de meest relevante en materiële criteria te kunnen richten.

We hebben het echter al eens gezegd op deze blog: de methodologie voor extra-financiële ratings voor bedrijven en de best-in-class-benadering hebben op verschillende vlakken de neiging om de voorkeur te geven aan internationale large caps. Dat gaat ten koste van de small caps, met name in de opkomende landen. Die voorkeuren komen uiteraard ook terug in de algemene rating van de beleggingsportefeuille.

Mijn fonds heeft drie wereldbollen, is dat goed of kan het beter?

Of de rating nu wordt toegekend in de vorm van een aantal wereldbollen (Morningstar) of een score van 0 tot 10 (MSCI ESG Ratings), wat betekent dit uiteindelijk voor de beleggers? Waarschijnlijk niet erg veel. Het gaat hier immers over het gewogen gemiddelde van de ratings van individuele geanalyseerde bedrijven.

Eerst en vooral is het, net zoals bij elk gemiddelde, goed mogelijk dat een portefeuille belegd is in bedrijven met extreme profielen – met andere woorden, de slechtste bedrijven op het vlak van ESG-uitdagingen en de bedrijven die schoolvoorbeelden zijn op dat vlak – en dat men zo hetzelfde gemiddelde verkrijgt als een portefeuille die belegd zou zijn in geen enkel bedrijf onder aan het ESG-klassement maar zich tevreden zou stellen met bedrijven die een redelijk ESG-profiel hebben.

Vervolgens speelt de opvolging van de onderliggende effecten een belangrijke rol. Het zijn immers uitsluitend de effecten die worden opgevolgd door de researchagentschappen waarmee rekening wordt gehouden en de rating van de opgevolgde bedrijven wordt teruggebracht tot de totale score van de portefeuille. Met andere woorden, indien u belegd bent in een portefeuille die bestaat uit 4 multinationals die de nodige middelen hebben om de vragenlijsten in te vullen en te voldoen aan de eisen en programma’s van de onafhankelijke research en ook uit 25 Belgische en buitenlandse small caps die weinig opgevolgd worden, dan zal de rating van uw belegging uiteindelijk die van de 4 grote multinationals zijn. Die kan behoorlijk hoog liggen. Tezelfdertijd zal de portefeuille die belegd is in enkele mid caps, die doorgaans minder goede scores halen, een zwakkere totale rating van de portefeuille hebben doordat er misschien bedrijven in zitten die voortrekkers zijn op het vlak van milieu- of maatschappelijke duurzaamheid. Op die manier hebben bepaalde portefeuilles die fors belegd zijn in oliebedrijven een betere rating gekregen dan portefeuilles die belegd zijn in small caps die innovatief zijn op specifieke duurzaamheidsdomeinen.

We moeten bovendien ook aandacht hebben voor de categorie waarin uw beleggingsfonds is ondergebracht. Zo zal een wereldwijd fonds dat voornamelijk belegt in ontwikkelde landen waarschijnlijk een betere rating hebben dan een fonds dat eveneens wereldwijd belegt, maar meer is blootgesteld aan opkomende markten, aangezien er een sterke correlatie bestaat tussen de mate waarin men rapporteert en de ESG-kwaliteit. Hoe meer een bedrijf rapporteert over ESG-informatie, hoe hoger de ESG-kwaliteit. Men doet hier een poging om een ESG-model te standaardiseren, maar dat is niet altijd geschikt voor elke portefeuille en voor elke strategie. Indien men de score gaat terugbrengen tot een kwantitatief oordeel (planeten of een score van 0 tot 10) en vergelijkingen gaat maken, verliest de informatie aan detail en kan de diversiteit van de beleggingsbenaderingen minder goed tot zijn recht komen.

Er kan tot slot ook belangenvermenging ontstaan, waarbij de extra-financiële ratingbureaus geen slechte scores durven toe te kennen aan de bedrijven die hun cliënten zijn. Dat risico is echter kleiner, aangezien de extra-financiële ratingbureaus doorgaans vergoed worden door de beleggingsondernemingen die gebruikmaken van hun research voor hun beleggingsproces. De geanalyseerde bedrijven vergoeden de ratingagentschappen niet en hebben het recht om feedback te geven in verband met de rating en de controverses die hen worden verweten.

Het voordeel van de benadering … meer transparantie en bewustmaking

Hoewel ze forse kritiek krijgt van de vermogensbeheerders die uiteindelijk “niets gevraagd hadden”, heeft de benadering een dubbel voordeel. Ten eerste zal men door de bekendmaking van een bepaalde rating – die een zekere waarde heeft – stilstaan bij het nut ervan, en ook de oorsprong, de betekenis en de reden van bestaan. Hierdoor zullen beleggers meer nadenken over de integratie van de criteria op het vlak van milieu, maatschappelijk welzijn en deugdelijk bestuur in beleggingsbeslissingen.

Ten tweede, hoewel ze in enige mate simplistisch is, zorgt ze ook voor meer transparantie, wat op middellange en lange termijn alleen maar goed nieuws kan zijn voor de belegger. Dankzij deze aanvullende informatie en deze transparantie is verantwoord beleggen, dat systematisch ESG-criteria wil integreren in beleggingsbeslissingen, in opmars bij alle beleggingsvormen. Hierdoor wordt er meer rekening gehouden met deze factoren binnen de financiële kringen en is er bijgevolg een groter hefboomeffect.

Het is ook de rol van verantwoorde beleggers om verbeteringen voor te stellen en om de ratingagentschappen te ondervragen over hun ratingproces. Op die manier kunnen we samen een verantwoord financieel systeem gericht op de middellange en lange termijn stimuleren.