donderdag 28/05/2020

Top Header

Talen

Levensverzekeringen: wijzigingen in het juridische landschap

Head of Estate Planning

Welke zijn de laatste wettelijke wijzigingen inzake levensverzekeringen? Hier vindt u een samenvattend overzicht van de nieuwe bepalingen.

Hierna lichten wij een aantal wijzigingen met betrekking tot de levensverzekeringen toe die voor u van belang kunnen zijn.

De begunstigingsclausule
Voor levensverzekeringscontracten afgesloten vóór 5 maart 2012 en waarin de 'wettelijke erfgenamen' zijn aangeduid als begunstigden, zal vanaf 5 maart 2014 die begunstigingsclausule gelezen worden als 'de nalatenschap', tenzij u voor die datum een zogenaamde 'verklaring van behoud' heeft ondertekend. In contracten die dateren van na 5 maart 2012 had de wet1 in een onmiddellijke inwerkingtreding van die interpretatiewijze voorzien.

Die wetswijziging heeft tot gevolg dat het kapitaal dat zal worden uitgekeerd naar aanleiding van het overlijden van de verzekeringnemer, niet langer onder de wettelijke erfgenamen zal worden verdeeld bij gelijke delen, maar zal worden toebedeeld volgens het testament als er een is. Is er geen testament, dan zal de erfenis inclusief het uitgekeerde kapitaal van de levensverzekering toebedeeld worden aan de wettelijke erfgenamen, volgens hun wettelijke aanspraken op de nalatenschap.

Twee voorbeelden om het verschil tussen beide begunstigingsclausules te verduidelijken:

Voorbeeld 1

De heer X heeft een vader in leven en een neef. In zijn testament verdeelt hij zijn vermogen bij gelijke delen over zijn vader en zijn neef. Zijn levensverzekeringscontract dat is afgesloten vóór 5 maart 2012, bevat de begunstigingsclausule 'wettelijke erfgenamen'.

Vroeger zou bij overlijden van de heer X het kapitaal niet toekomen aan zijn neef, maar enkel aan zijn vader. Er werd immers geen rekening gehouden met het testament van X.

Sinds 5 maart 2014    komt het kapitaal wel voor de helft toe aan zijn neef, aangezien vanaf dan wel rekening zal worden gehouden met het testament.  

Voorbeeld 2

De heer X woont samen met mevrouw Y. Zij hebben een verklaring van wettelijk samenwonen afgelegd. De heer X heeft twee kinderen uit een vorig huwelijk. Meneer X heeft geen testament opgemaakt. De heer X heeft een levensverzekeringscontract afgesloten vóór 5 maart 2012. In de begunstigingsclausule zijn 'de wettelijke erfgenamen' aangeduid.

Vroeger zou bij overlijden van de heer X het kapitaal toekomen aan zijn twee kinderen en mevrouw Y, elk voor één derde.

Sinds 5 maart 2014, is het kapitaal uit het levensverzekeringscontact verdeeld worden onder de kinderen van X. Indien de heer X wenst dat mevrouw Y ook een deel van het uitgekeerd kapitaal ontvangt bij zijn overlijden, dan moet hij dat dus voorzien in zijn testament ofwel moet hij de begunstigingsclausule in het levensverzekeringscontract dienen aan te passen.

Het voorgaande is dus enkel van toepassing voor levensverzekeringscontracten waar de ‘wettelijke erfgenamen’ de begunstigden zijn. Voor levensverzekeringscontracten waar de begunstigde nominatief is aangeduid, verandert er niets.

Wij raden u aan om de begunstigingsclausule van uw levensverzekeringscontract te verifiëren en aan te passen mocht die niet langer met uw wensen overeenstemmen. Zo vermijdt u dat het kapitaal van de levensverzekering niet zou toekomen aan degenen die u had voorzien.

Versterking van de positie van de reservataire erfgenamen
De erflater die in het verleden zijn reservataire erfgenamen wenste te onterven, vond daartoe soms een oplossing in levensverzekeringscontracten. Erfgenamen die (hun aandeel in) de nalatenschap op die manier aan hun neus voorbij zagen gaan, hadden weinig mogelijkheden om dat aan te vechten. Slechts in uitzonderlijke gevallen konden zij eventueel een deel van de gestorte premies terugvorderen via een zogenaamde vordering tot inkorting. Zij moesten daarvoor wel kunnen aantonen dat de premies die de erflater betaald had ‘kennelijk buiten verhouding stonden tot zijn vermogenstoestand’. Niet alleen was er dus die bijkomende voorwaarde om de inkorting te kunnen vragen, die bovendien enkel gold ten belope van de betaalde premies en niet op de opgebouwde reserves.

Indien daarentegen een erflater een erfgenaam zou onterven via een schenking, dan kunnen de reservataire erfgenamen hun reserve opeisen via een vordering tot inkorting op het hetgeen geschonken is, en dat ongeacht of dat buiten verhouding is tot de vermogenstoestand van de schenker.

Het Grondwettelijk Hof heeft die ongelijke behandeling veroordeeld. De wetgever heeft hierop gereageerd door in de wet te voorzien dat reservataire erfgenamen een vordering tot inkorting kunnen instellen op de verzekeringsprestaties, dat is het uit te keren kapitaal, en dat zodra hun reserve is aangetast, dus ongeacht of de premies al dan niet buiten verhouding stonden tot de vermogenstoestand van de erflater.

Die wijziging kadert overigens in de ruimere hervorming van het erfrecht waarop wij nog zullen terugkomen zodra die definitieve vorm krijgt.

Er blijft nochtans na die wetswijziging nog steeds een verschil bestaan tussen de onrechtstreekse schenking via het levensverzekeringscontract en de gewone, rechtstreekse schenking. Een gewone schenking wordt immers geacht als ‘voorschot op erfdeel’ te zijn gedaan, tenzij anders bedongen. De gelijke behandeling van de wettelijke erfgenamen is dus de regel. Bij levensverzekeringscontracten wordt de bevoordeling geacht ‘buiten erfdeel’ te hebben plaatsgevonden. De bevoordeling wordt dus aangerekend op het zogenaamd beschikbare deel van de erflater. Indien de verzekeringsnemer wenst dat zijn wettelijke erfgenamen op gelijke voet worden behandeld, dan dient hij dat uitdrukkelijk te voorzien. Hij zal expliciet moeten bedingen in het levensverzekeringscontract dat de verzekeringsprestaties aan de regels van de inbreng onderworpen zijn.

Levensverzekeringscontracten en het huwelijksvermogensrecht
In het verzekeringsrecht bestaan er een aantal regels die sterk afwijken van een aantal basisprincipes van het Burgerlijk Wetboek.

Nemen wij het voorbeeld van de heer X en mevrouw Y, gehuwd zonder huwelijkscontract. Hun huwelijksvermogen wordt dus geregeld volgens het wettelijk stelsel. Dat betekent in grote lijnen dat alles wat eigen was voor het huwelijk, eigen blijft en dat alles wat tijdens het huwelijk wordt opgebouwd door de echtgenoten (de zogenaamde aanwinsten) behoort tot de huwgemeenschap.

Niettegenstaande die regels zal het kapitaal dat de heer X ontvangt uit een levensverzekeringscontract dat hij tijdens het huwelijk is aangegaan en heeft onderschreven met zijn professionele inkomsten, en dus met aanwinsten van het gemeenschappelijk vermogen, toch beschouwd worden als zijn eigen goed. Hij zal het gemeenschappelijk vermogen (bijvoorbeeld bij echtscheiding) ook niet moeten vergoeden, tenzij in het uitzonderlijke geval dat de premiebetalingen kennelijk de mogelijkheden van de huwgemeenschap overschrijden.

Het Grondwettelijk Hof heeft ook die regels in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel. In het kader van de hervorming van het huwelijksvermogensrecht zullen de huidige regels hieromtrent wellicht ook herzien worden.

Wij zullen dat uiteraard van nabij opvolgen en u hieromtrent ten gepaste tijde informeren.

Uw relatiebeheerder en de dienst Estate Planning staan te uwer beschikking om uw vragen te beantwoorden.


1. De wet van 13 januari 2012 tot invoering van artikel 110/1 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, wat de aanwijzing betreft van een begunstigde in een levensverzekeringsovereenkomst.

 

Mail