vrijdag 22/03/2019

Top Header

Talen

De nieuwe bepalingen inzake vennootschapsbelasting van toepassing vanaf 2019

Estate Planning

De wet van 25 december 2017 heeft de vennootschapsbelasting op ingrijpende wijze hervormd. Hoewel de bepalingen in deze wet geen echte revolutie inhielden, was het toch de meest ingrijpende hervorming van de vennootschapsbelasting sinds de invoering ervan in 1962. Het doel was om deze belasting te vereenvoudigen en te moderniseren, wat inderdaad nodig was.

Maar zoals de meeste commentatoren, zijn ook wij van mening dat dit doel slechts ten dele is bereikt. De wetgever heeft bestaande achterhaalde bepalingen immers niet of slechts in geringe mate afgeschaft, maar in feite veel "lagen" van aanvullende maatregelen toegevoegd. Dit is het gevolg van de filosofie bij belastinghervormingen: elk nieuw belastingvoordeel of -verlaging moet worden gecompenseerd, omdat elke hervorming budgettair neutraal moet zijn. Het resultaat is dat de vennootschapsbelasting nog nooit zo ingewikkeld is geweest als vandaag.

Een ander kenmerk van de hervorming was de inwerkingtreding gespreid over meerdere jaren. Veel bepalingen waren al vanaf 2018 van toepassing, daarna was een tweede reeks maatregelen gepland voor 2019 en tenslotte zijn er bepalingen die vanaf 2020 van toepassing zullen zijn.

We beperken ons hier tot de bepalingen die in 2019 in werking zijn getreden.

De meeste van deze maatregelen van 2019 vloeien voort uit de omzetting in het Belgisch recht van een Europese richtlijn van 12 juli 2016, bekend als de ATAD-richtlijn (“Anti-Taks Abuse Directive”). De bepalingen van deze richtlijn moesten uiterlijk op 1 januari 2019 in de wetgeving van elke lidstaat worden omgezet.

1. ATAD-bepalingen

Er zijn 5 ATAD-bepalingen. Deze zijn zeer technisch en, hoewel ze van toepassing zijn op alle bedrijven, in de praktijk vooral gericht op grote multinationale ondernemingen. Daarom geven we hieronder alleen een overzicht.

A. Beperking interestaktrek

De netto-interestkosten (kosten verminderd met de verkregen interesten) zijn voortaan slechts aftrekbaar als beroepskost tot 30% van de EBITDA ("earnings before interest, tax, depreciation and amortization") van de onderneming, met een minimumbedrag van 3 miljoen euro.

Deze beperking geldt zowel voor interestbetalingen aan andere vennootschappen van eenzelfde groep, als voor interestbetalingen aan derden, zoals bijvoorbeeld banken. In feite viseert men bedrijven die onder-gekapitaliseerd zijn. De interesten die niet werden afgetrokken en niet in aanmerking komen op grond van deze regel, kunnen onbeperkt worden overgedragen naar volgende jaren.

De tendens om de belastingaftrek van interesten te beperken is een wereldwijd fenomeen dat ernaar streeft om agressieve fiscale planningen via financiering te bestrijden.

B. CFC-regeling

De CFC-regels (controlled foreign corporation) zijn bedoeld om een Belgische vennootschap te belasten op de inkomsten van haar buitenlandse dochterondernemingen of vaste inrichtingen, ongeacht of de winst als dividend werd uitgekeerd aan de moedervennootschap. De CFC-regels viseren dochterondernemingen en vaste inrichtingen die minder dan de helft van de normale Belgische vennootschapsbelasting betalen (stel dat het Belgische vennootschapsbelastingtarief is vastgesteld op 25%, dan zal elke dochteronderneming of vaste inrichting van een Belgische vennootschap die minder dan 12,5% aan belastingen betaalt, zijn winst onmiddellijk belast zien worden in België).

In feite is het een soort replica van de Kaaimantaks, maar dan van toepassing op bedrijven. Veel landen kenden deze maatregel al (Verenigde Staten sinds de Kennedy-regering), maar België of Luxemburg nog niet.

De toepassingsvoorwaarden zijn buitengewoon technisch en complex en zullen zeker aanleiding geven tot meerdere interpretaties en geschillen.

C. Exit taxatie

Deze bepalingen zijn van toepassing op situaties waarin een Belgische vennootschap activa overdraagt aan een buitenlandse vestiging waarvan de winst bij verdrag is vrijgesteld. Deze maatregelen zouden niet veel impact moeten hebben in België, aangezien ons wetboek reeds een fiscaal regime kent dat van toepassing is op dit soort transacties.

D. Hybride mismatches

Dit zijn eveneens zeer technische maatregelen gericht op het bestrijden van bepaalde fiscale planningen die in de jaren 2000 erg populair waren. Het basisidee van deze planningen bestond erin om gebruik te maken van de verschillen in juridische kwalificaties voor eenzelfde financiële instrument in verschillende staten. Veronderstel bijvoorbeeld dat staat A een financieel instrument beschouwd als een obligatie, terwijl staat B datzelfde instrument beschouwt als een aandeel. De onderneming in staat A betaalt interest aan een onderneming in staat B en brengt deze voor belastingdoeleinden in mindering. De onderneming in staat B ontvangt echter dividenden volgens de classificatie van het instrument en wordt op deze inkomsten niet belast. Met andere woorden, er is sprake van een kostenaftrek zonder dat er sprake is van een overeenkomstig belastbaar inkomen.

De ATAD-richtlijn heeft betrekking op dit soort praktijken: een belastingaftrek is alleen toegestaan als de afgetrokken bedragen in hoofde van de begunstigde worden belast. Opnieuw stellen zowel de richtlijn als de hervormingswet in België uiterst complexe regels voor.

E. GAAR (General Anti Abuse Rule)

Er wordt een algemene antimisbruikbepaling ingevoerd. Een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen zal niet tegenstelbaar zijn aan de fiscale administratie wanneer deze van oordeel is dat er fiscaal misbruik is: dit is wanneer deze handelingen alleen op fiscale gronden gerechtvaardigd zijn en op geen enkele wijze de economische realiteit weerspiegelen.  Het is natuurlijk de rechter die uiteindelijk zal beslissen of er al dan niet sprake is van fiscaal misbruik.

De maatregel in de ATAD-richtlijn komt overeen met de antimisbruikbepaling van artikel 344, lid 1, WIB (ingevoerd in ons Wetboek sinds het belastingjaar 2013).

2. Belastingconsolidatie ‘à la belge’

Naast de omzetting van de ATAD-bepalingen in ons Wetboek, heeft de wet van 25 december 2017 een soort van fiscale consolidatie in België ingevoerd.

Sinds de invoering van de vennootschapsbelasting kende ons Wetboek geen "fiscale consolidatie", d.w.z. de vaststelling van de belasting van een vennootschapsgroep op basis van het geheel of een deel van de geconsolideerde resultaten. Bijna alle geïndustrialiseerde landen kennen een of andere vorm van fiscale consolidatie, maar België niet.  De Belgische fiscus vreesde dat de budgettaire kosten van deze maatregel te aanzienlijk zouden zijn. Het is inderdaad zo dat een consolidatie voordelen voor vennootschapsgroepen met zich meebrengt: de winsten van de ene onderneming van de groep worden verrekend met de verliezen van een andere onderneming van de groep, intra-groepstransacties worden geneutraliseerd, enz. Maar het is duidelijk dat vennootschapsgroepen zich hadden georganiseerd om dit gebrek aan consolidatie te compenseren.

Vanaf 2019 is dus een fiscaal consolidatiestelsel beschikbaar. Dit systeem voorziet niet in een consolidatie in de strikte zin, maar het stelsel maakt het wel mogelijk dat een winstgevende onderneming binnen een vennootschapsgroep haar winst geheel of gedeeltelijk kan "overdragen" naar een andere verlieslatende onderneming van dezelfde groep. Dit maakt het mogelijk de verliezen van de verlieslatende onderneming te verrekenen met de winst van de winstgevende onderneming. Het resultaat op het niveau van de winsten/verliezen is bijna identiek aan dat van een echte consolidatie, maar strekt zich niet uit tot andere intra-groepstransacties (bv. een meerwaarde gerealiseerd bij de verkoop van een actief van de ene vennootschap aan de andere). Bovendien is de regeling pas vanaf 1 januari 2019 van toepassing: verliezen die vóór die datum zijn geleden, vallen dus niet onder dit systeem. Zoals verwacht gelden er strikte voorwaarden.

Ook deze nieuwe maatregel streeft ernaar op fiscaal vlak rekening te houden met de economische realiteit van een groep van vennootschappen.

 

Mail