dinsdag 23/01/2018

Top Header

Talen

De taks op de effectenrekeningen: wat houdt die taks precies in?

Head of Estate Planning Vlaanderen

Naar aanleiding van het zogenaamde Zomerakkoord dat binnen onze federale regering tot stand kwam op 26 juli 2017, is beslist om de Taks op de Effectenrekeningen (hierna ‘TER’) in te voeren vanaf 1 januari 2018. In deze flash lichten wij de belangrijkste aspecten van de TER toe.

In deze toelichting zullen wij op de belangrijkste aspecten van de TER ingaan. De hierna vermelde informatie is gebaseerd op de ontwerpteksten gekend op moment van het publiceren van deze nieuwsflash.
 

1. Wie is geviseerd door de TER?

De TER viseert in principe enkel natuurlijke personen die titularis zijn van een effectenrekening waarop belastbare effecten worden aangehouden. Voor ‘rijksinwoners’ (i.e. Belgisch ingezetenen die voor de inkomstenbelastingen belastbaar zijn in België op hun wereldwijde inkomen) wordt niet enkel rekening gehouden met de effectenrekeningen die aangehouden worden bij een in België gevestigde bank, maar ook met effectenrekeningen die aangehouden worden bij een in het buitenland gevestigde bank.

Niet-inwoners worden verrassend genoeg ook geïmpacteerd door de TER, weliswaar enkel voor de effectenrekeningen die zij aanhouden bij een in België gevestigde bank.

De TER is niet van toepassing op titularissen-rechtspersonen zoals vzw’s, stichtingen en commerciële vennootschappen. Er wordt niettemin voorzien in een specifieke antimisbruikbepaling die bepaalt dat de inbreng van een effectenrekening vanaf 1 januari 2018 in een rechtspersoon die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting met als enige doel aan de TER te ontkomen, niet-tegenstelbaar zal zijn aan de fiscale administratie. Met andere woorden, de inbrenger/natuurlijke persoon (en niet de vennootschap) zal beschouwd worden als de titularis van de effectenrekening.
 

2. Vanaf welk bedrag is de TER van toepassing?

De TER is van toepassing zodra een titularis van een effectenrekening een gemiddelde waarde van 500.000 euro aan belastbare effecten aanhoudt, bekeken over alle effectenrekeningen waarvan hij titularis is. Het drempelbedrag wordt bekeken per titularis en niet per effectenrekening.

Deze gemiddelde waarde wordt berekend op een referentieperiode die gelijk is aan 12 opeenvolgende maanden. De referentieperiode begint op 1 oktober en eindigt op 30 september van het daaropvolgende jaar (met uitzondering van de eerste referentieperiode die begint op 1 januari 2018 en zal eindigen op 30 september 2018).

Om tot de gemiddelde waarde te komen, zijn er in de loop van de referentieperiode vaste ‘referentietijdstippen’. Die referentietijdstippen zijn wettelijk vastgelegd op de volgende data: 31 december, 31 maart, 30 juni en 30 september. Voor de eerste referentieperiode zal het eerste referentietijdstip plaatsvinden op 31 maart 2018. De eerste referentieperiode zal dus drie in plaats van vier referentietijdstippen bevatten.

Bepaalde gebeurtenissen zullen ook aanleiding geven tot het doen ontstaan van bijkomende referentietijdstippen. Een wijziging op het niveau van de titularissen bijvoorbeeld, evenals de opening of afsluiting van een effectenrekening, doen een nieuw referentietijdstip ontstaan dat in aanmerking dient te worden genomen om de gemiddelde waarde voor de referentieperiode te bepalen.

Is dit drempelbedrag van 500.000 euro aan belastbare effecten gedurende een referentieperiode bereikt, dan zal er 0,15% TER verschuldigd zijn vanaf de eerste euro.

Het drempelbedrag van 500.000 euro in hoofde van de belegger moet worden beoordeeld over de totaliteit van de effectenrekeningen waarvan hij houder is, ook indien deze effectenrekeningen verspreid zijn over verschillende financiële instellingen. Met het oog op de controle hiervan zal elke belastingplichtige in zijn aangifte in de personenbelasting het bestaan van de effectenrekeningen moeten vermelden waarvan hij titularis is.
 

3. Wordt er rekening gehouden met de onderlinge verhoudingen van titularissen van een effectenrekening om het drempelbedrag van 500.000 euro te bepalen?

De financiële instellingen die voor de inning van de taks dienen in te staan, dienen ervan uit te gaan dat elke geregistreerde titularis van een effectenrekening gerechtigd is op een gelijk aandeel. Die werkwijze zal echter niet altijd overeenkomen met de contractuele afspraken of wettelijke eigendomsverhoudingen tussen de titularissen.

Wanneer een effectenrekening gesplitst zou worden aangehouden door de vruchtgebruiker(s) en de blote eigenaar(s), worden zowel de vruchtgebruiker(s) als de blote eigenaar(s) beschouwd als afzonderlijke titularissen. Er wordt met andere woorden geen rekening gehouden met de waarde van het vruchtgebruik om na te gaan of het drempelbedrag van 500.000 euro bereikt is in hoofde van de vruchtgebruiker(s).

Zo zal een effectenrekening waarvan een koppel titularis is (dus twee geregistreerde titularissen), voor de toepassing van de TER, aan elk voor de helft toebedeeld worden en dit ongeacht de werkelijke eigendomsverhouding.

De effecten die bijvoorbeeld worden aangehouden door een echtpaar (dus twee titularissen) en die een gemiddelde waarde van 900.000 euro vertegenwoordigen, zijn niet onderworpen aan de TER, ten minste voor zover er in hoofde van de titularissen geen andere belastbare effecten worden aangehouden op een andere effectenrekening. Wordt diezelfde rekening echter aangehouden door één van beide echtgenoten, dan zal de volledige waarde onderworpen zijn aan de TER vanaf de eerste euro, ongeacht het huwelijkscontract van de titularis.

Een effectenrekening die bijvoorbeeld ten gevolge van een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik wordt aangehouden door de schenker (bijvoorbeeld de grootmoeder) en de begiftigde (bijvoorbeeld het kleinkind), wordt voor de toepassing van de TER geacht twee titularissen te hebben. In hoofde van elk van deze titularissen wordt het drempelbedrag beoordeeld. Hoewel de waarde van het vruchtgebruik door het groot leeftijdsverschil veel kleiner is dan de waarde van de blote eigendom, zullen beide titularissen voor een gelijk aandeel instaan voor de TER.

Indien een titularis door dit vermoeden te veel TER betaald heeft, dan kan hij een teruggave vragen, op voorwaarde dat hij hiertoe de nodige bewijsstukken aanlevert. Indien uit die bewijsstukken zou blijken dat in hoofde van iemand die geen formele titularis is van de effectenrekening toch het drempelbedrag overschreden is, dan wordt deze laatste beschouwd als titularis en dus belastingplichtige. Hoe dit praktisch uitwerking zal krijgen, is op vandaag nog niet duidelijk.

Verder kan worden opgemerkt dat de TER volledige abstractie zal maken van titularissen-rechtspersonen. Indien een effectenrekening met een gemiddelde waarde van 500.000 euro aan belastbare effecten wordt aangehouden door enerzijds, bij wijze van voorbeeld, een naamloze vennootschap en anderzijds een natuurlijke persoon, dan zal de natuurlijke persoon integraal instaan voor de TER en zal de financiële instelling waar de rekening wordt aangehouden op basis van de teksten die voorliggen, verplicht zijn om de TER in te houden op de totale waarde aan belastbare effecten. Ook in dit geval zal de titularis natuurlijke persoon die te veel TER betaalde een teruggave dienen aan te vragen en hiertoe de nodige bewijsstukken dienen bij te brengen.
 

4. Welke effecten vallen binnen het toepassingsgebied van de TER?

De TER is van toepassing op de volgende types van (al dan niet beursgenoteerde) beleggingsinstrumenten, voor zover ze worden aangehouden op een effectenrekening:

  • aandelen
  • obligaties
  • kasbons
  • deelbewijzen van gemeenschappelijke beleggingsfondsen en deelbewijzen van instellingen voor collectieve belegging (beveks);
  • certificaten, warrants, trackers

Beleggingsinstrumenten op naam, die zijn ingeschreven in het register van de emittent, blijven buiten het toepassingsgebied van de TER. Voor aandelen dient de inschrijving op naam te zijn gebeurd vóór 9 december 2017. De regering heeft immers op die datum een antimisbruikbepaling ingevoerd waardoor de aandelen die omgezet zijn naar aandelen op naam vanaf 9 december 2017 toch voor de eerste referentieperiode onderhevig blijven aan de TER. De titularis zal voor de omgezette aandelen zelf zijn fiscale verplichtingen moeten voldoen. De financiële instelling zal immers geen rekening houden met de waarde van de omgezette aandelen bij de berekening van het drempelbedrag van 500.000 euro.

Hoewel een inschrijving op naam van effecten die gebeurd is vóór 9 december 2017 de belastbare grondslag van de TER zal verkleinen, zijn er eveneens een aantal belangrijke (mogelijks negatieve) gevolgen verbonden aan die omzetting:

  • de omzetting naar effecten op naam is administratief een zwaar proces dat tijdrovend is;
  • de verkoop via de beurs van effecten die op naam zijn ingeschreven, verloopt minder vlot vermits er eerst een dematerialisatie nodig zal zijn, hetgeen de nodige tijd in beslag zal nemen. Men kan dus minder gemakkelijk inspelen op beursevoluties;
  • de schenking van effecten die op naam zijn ingeschreven dient steeds notarieel te gebeuren en kan dus niet onder de vorm van een bankgift;
  • de houder van de effecten op naam van een beleggingsfonds naar buitenlands recht (bijvoorbeeld een Luxemburgs fonds), zal het voorwerp uitmaken van een automatische gegevensuitwisseling, vermits de waarde van de beleggingen, de inkomsten en de verkopen zullen worden doorgegeven aan de Belgische fiscale administratie;
  • in sommige landen (dit is het geval in België en Luxemburg) is het aandelenregister consulteerbaar voor elke aandeelhouder; de omzetting naar effecten op naam gaat dus gepaard met een verlies aan anonimiteit;
  • aangezien de bancaire relatie wordt doorgeknipt door een inschrijving van effecten op naam, zullen bepaalde fiscale verplichtingen in hoofde van de natuurlijke persoon op wiens naam het effect ingeschreven staat zelf dienen te worden voldaan; dat zal het geval zijn voor bijvoorbeeld de aangifte van de belastbare inkomsten naar aanleiding van de verkoop van obligataire fondsen naar buitenlands recht (i.e. die meer dan 25% - en vanaf 1 januari 2018 meer dan 10% - beleggen in schuldvorderingen); de belegger zal deze inkomsten dus dienen aan te geven in zijn aangifte in de personenbelasting.
     

5. Hoe dient de TER te worden voldaan?

De financiële instelling waar de effectenrekening aangehouden wordt, zal gehouden zijn om de gemiddelde waarde van de belastbare effecten aangehouden op de effectenrekening mee te delen aan de titularis van de effectenrekening aan het einde van elke referentieperiode.

Indien het drempelbedrag voor een titularis (bekeken op geconsolideerde basis per financiële instelling) bereikt is, dan zal de financiële instelling verplicht zijn de TER in te houden. Die inhouding is bevrijdend.

Indien het drempelbedrag voor een titularis niet bereikt wordt, dan kan de titularis ervoor kiezen dat de financiële instelling toch de TER bevrijdend inhoudt via een opt in-systeem (bijvoorbeeld indien de totale waarde van de belastbare effecten die deze titularis aanhoudt in verschillende financiële instellingen het drempelbedrag van 500.000 euro bereikt). De financiële instelling dient die mogelijkheid sowieso voor te stellen aan elke titularis van een effectenrekening. Het komt in dat geval toe aan de titularis om te beoordelen of hij al dan niet het drempelbedrag zal bereiken, rekening houdend met de totaliteit van zijn belastbare effecten aangehouden op de effectenrekeningen die hij aanhoudt bij verschillende financiële instellingen.

Kiest de titularis niet voor de bevrijdende inhouding van de TER en is het drempelbedrag van 500.000 euro over de referentieperiode bereikt, dan zal hij verplicht zijn om zelf een aangifte in te dienen en de TER tijdig af te dragen. De titularis van een effectenrekening aangehouden bij een buitenlandse financiële instelling doet er goed aan om bij de buitenlandse financiële instelling na te gaan of de TER zal worden ingehouden, dan wel of de buitenlandse financiële instelling de nodige waarderingen zal ter beschikking stellen met oog op het vervullen van de Belgische fiscale verplichtingen in het kader van de TER. De niet-aangifte, alsook de laattijdige en de onvolledige aangifte zullen worden bestraft met boetes tussen 10% en 200%. Bij een laattijdige aangifte zullen ook nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn.
 

Mochten er nog wijzigingen worden aangebracht in de in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde wetteksten, dan zullen wij niet nalaten u hierover te informeren.