dinsdag 26/09/2017

Top Header

Talen

Frans belastingregime: wijziging voor de verhuring door Belgische ingezetenen

Estate Planning

Veel Belgen verhuren tijdens de zomerperiode hun tweede verblijf in Frankrijk. Ze vervullen hun Belgische fiscale verplichtingen als volgt. De meest ervaren eigenaars gaven de inkomsten uit deze verhuring in Frankrijk aan als industriële en commerciële winsten, sommigen gaven ze aan als inkomsten uit grondbezit (wat door de Franse belastingadministratie tot in 2016 werd aanvaard) en andere eigenaars vergaten ze aan te geven.

 

Geregeld karakter

In Frankrijk is het geregeld verhuren van gemeubileerde onroerende goederen een commerciële activiteit die op het gebied van de inkomstenbelasting onder de categorie van de industriële en commerciële winsten valt (opnieuw bevestigd door de wet ter rectificatie van de begroting voor 2016).

Of een verhuring een geregeld karakter heeft, wordt volgens de Franse Raad van State niet op basis van de duur van de verhuring bepaald, maar op basis van de herhaling ervan in de loop der jaren. De verhuring van een gemeubileerd verblijf voor twee weken in twee opeenvolgende jaren en vervolgens voor een maand het jaar daarna, moet worden geacht geregeld te zijn verricht.

Beroepsmatig of niet-beroepsmatig

De geregelde verhuring van een gemeubileerd verblijf kan als beroepsmatig of niet-beroepsmatig worden beschouwd. Het belastingregime van de verhuuractiviteit betreffende een gemeubileerd verblijf verschilt naargelang de activiteit beroepsmatig of niet-beroepsmatig wordt verricht, in het bijzonder op het gebied van sociale lasten.

Industriële en commerciële winsten afkomstig uit een verhuuractiviteit betreffende een gemeubileerd verblijf die niet-beroepsmatig wordt verricht, zijn onderworpen aan sociale inhoudingen die verschuldigd zijn op inkomsten uit vermogen (15,5 %). De inkomsten uit de verhuuractiviteit betreffende een gemeubileerd verblijf die beroepsmatig wordt gebruikt worden daarentegen onderworpen aan sociale bijdragen voor zelfstandigen (RSI tot 35 % met een minimum van € 950,00 in 2016).

Beroepsmatig

Tot nu toe zijn onderworpen aan professionele sociale bijdragen, de verhuurders van een gemeubileerd verblijf die een activiteit uitoefenen die op fiscaal vlak wordt geacht beroepsmatig te zijn verricht. Dit wil zeggen, personen die aan de drie cumulatieve criteria voldoen die in artikel 155, IV van het Algemeen Belastingwetboek zijn bepaald, namelijk:

1° Ten minste één lid van het fiscaal gezin is ingeschreven in het handels- en vennootschapsregister als beroepsmatige verhuurder;

2° De jaarlijkse inkomsten die alle leden van het fiscaal gezin samen uit deze activiteit verwerven, bedragen meer dan € 23.000,00;

3° Deze inkomsten bedragen meer dan de inkomsten van het fiscaal gezin die zijn onderworpen aan de inkomstenbelasting in de categorieën van de salarissen en lonen in de zin van artikel 79, van de andere industriële en commerciële winsten dan die welke afkomstig zijn uit de verhuuractiviteit betreffende gemeubileerde verblijven, van de winsten uit landbouwactiviteiten, van de niet-commerciële winsten en van de inkomsten van de zaakvoerders en vennoten die in artikel 62 worden vermeld.

Wijziging van het regime

De groei van de verhuuractiviteit betreffende gemeubileerde verblijven heeft de wetgever ertoe aangezet het regime te wijzigen dat van toepassing is op niet-beroepsmatige verhuurders van gemeubileerde verblijven die met name gebruikmaken van deelplatformen (die verband houdt met de snelle ontwikkeling van deelplatformen zoals Airbnb). In het nieuwe regime (artikel 18 van het ontwerp van de wet inzake de financiering van de sociale zekerheid voor 2017) worden de inkomsten uit de niet-beroepsmatige verhuur van een gemeubileerd verblijf onderworpen aan de socialezekerheidsbijdragen voor zelfstandigen wanneer het bedrag ervan hoger is dan € 23.000,00 en dit zelfs wanneer niet voldaan is aan alle criteria van artikel 155, IV van het Algemeen Belastingwetboek.

In de geest van de wetgever heeft deze maatregel ook betrekking op niet-ingezetenen (de Belgische ingezetenen dus), zelfs al blijft er onzekerheid bestaan gelet op de rechtspraak “de Ruyter”, waarin eraan herinnerd werd dat krachtens Europese verordening nr. 1408/71 een ingezetene van de EU niet mag bijdragen aan de financiering van een sociaalzekerheidsstelsel van een staat waarvan hij geen sociale prestaties geniet.

Aarzel niet om contact op te nemen met onze afdeling Estate Planning. Onze specialisten zullen al uw bijkomende vragen graag beantwoorden en samen met u eventuele oplossingen zoeken.