donderdag 15/08/2019

Top Header

Talen

Graven naar het fiscaal verleden

Head of Macro Research

Fiscale wijzigingen worden dikwijls doorgevoerd om budgettaire redenen. Dat is bovendien vaker het geval voor de personenbelasting dan voor de vennootschapsbelasting, want de regels daarvan worden zo opgesteld dat ze coherent zijn met die van onze handelspartners.

In dit artikel wil ik stilstaan bij een niet zo bekend onderwerp: de oorsprong van de vennootschapsbelasting. Daarvoor moeten we terug naar de 18de eeuw, de periode waarin de bedrijven ontstonden, meer bepaald door een decreet van het Franse Grondwettelijk Hof van maart 1791. Dat decreet bepaalt dat het elk individu vrijstaat om handel te drijven of om een beroep uit te oefenen op voorwaarde dat daarvoor een patent wordt betaald. Dat patent werd gedefinieerd als een gedeelte van de huur of de huurwaarde van de woonst waarin het beroep werd uitgeoefend. De vennootschapsbelasting werd dus net als de personenbelasting gebaseerd op een onroerende waarde. Dat was het enige tastbare element dat het mogelijk maakte om op een betrouwbare manier een raming te maken van de inkomsten of het vermogen van een belastingplichtige. Het is in dat verband inderdaad belangrijk om eraan te herinneren dat in de tijd van Napoleon de personenbelasting was gebaseerd op het aantal vensters van een woning. Het is trouwens om die reden dat niet-gebruikte ramen in patriciërswoningen werden dichtgemetseld.

Onder het Hollandse bewind werd het patentsysteem in 1819 aangevuld met een taks van 2% op de eigen middelen van de vennootschappen. Ook de beheerders werden vanaf dan belast op de vergoeding die ze ontvingen. Het patent bleef uiteindelijk bestaan tot in 1913. Hoewel wettelijke bepalingen uit 1823 en 1849 ondertussen stipuleerden dat de belastbare winsten van de vennootschappen de “intresten waren uit het ingezette kapitaal, de dividenden en alle andere uitgekeerde sommen”, wat bijna woord voor woord overeenkomt met de definitie die ook vandaag nog wordt gehanteerd.   

In 1913 werd het patentsysteem vervangen door een inkomstenbelasting en een belasting op de “reële winsten” van vennootschappen met aandelen. Het ging om een belasting van… 4% op de volledige winst, ongeacht de bestemming ervan.

Dat systeem kreeg door de eerste wereldoorlog echter niet de kans om te worden toegepast. In 1919 werd dan een eerste grote fiscale hervorming doorgevoerd. Daarbij werd beslist om enkel de uitgekeerde winst te belasten. De winsten die in de reserves werden opgenomen, werden vrijgesteld van belastingen tot ze uiteindelijk zouden worden uitgekeerd. In 1919 werd ook beslist om de winsten van de vennootschappen te belasten door ervan uit te gaan dat een aandeel overeenstemt met een roerende inkomst, namelijk de uitkering van het geïnvesteerde kapitaal. De wetgever van die tijd had dus eigenlijk de notionele interest avant la lettre uitgevonden, want deze techniek, die in 1999, werd bedacht had uiteindelijk de bedoeling om de rentevergoeding op het eigen kapitaal uit de belastbare winst te halen. Zoals u ziet, heeft de notionele interest dus vele vermeende vaders.

In de jaren twintig werden wijzigingen aan het systeem aangebracht om de dubbele belasting te corrigeren, en werden een aantal amendementen van diverse aard aanvaard, waaronder de uitbreiding van de vennootschapsbelasting tot de personenvennootschappen.

Vooral de wijzigingen die werden opgedrongen door de Duitse bezetter in 1941 en 1942, deden de vennootschapsbelasting evolueren in de richting van haar definitieve vorm. Dat gebeurde door alle winsten, of ze nu uitgekeerd worden of niet, te onderwerpen aan een belasting en door tegelijk de uitgekeerde winsten te onderwerpen aan een roerende voorheffing.

Een besluit uit 1942 gomde voorts het verschil weg tussen de personenvennootschappen en de kapitaalvennootschappen, zoals vandaag nog altijd het geval is.  

De laatste fundamentele fiscale hervorming werd in 1962 goedgekeurd. Ze legde de belasting vast van alle winsten van een onderneming, maar loste vooral ook de problemen op van de dubbele belasting van de dividenden. Het probleem rond de fiscaliteit van de dividenden vindt zijn oorsprong immers in de dubbele economische belasting van de bedrijfswinsten. Omdat de dividenden op de as liggen die een onderneming met haar aandeelhouders verbindt, worden die aandeelhouders eerst getroffen door de vennootschapsbelasting en vervolgens ook nog eens door de personenbelasting. Er komt immers onvermijdelijk een moment dat de bedrijfswinst terechtkomt bij een fysieke persoon. Vandaar dat we de vennootschapsbelasting kunnen beschouwen als een vervroegde afhouding van de belasting die ook de aandeelhouder raakt. Daarom moet de belasting van een dividend beantwoorden aan een dwingende regel, namelijk dat de bedrijfswinsten moeten worden gelijkgesteld met de beroepsinkomsten van een fysieke persoon in een vennootschap, een beetje alsof een zelfstandige zich in een vennootschap zou “onderbrengen”.

De belasting van de beroepsinkomsten van fysieke personen moet dus coherent zijn met de vennootschapsbelasting, vermeerderd met een roerende voorheffing die van toepassing is op dividenden. We zien dat trouwens als we de som maken van de vennootschapsbelasting (34%) en de roerende voorheffing op dividenden (27%). We komen dan uit op een globale belasting van ongeveer 50%, wat ook de hoogste schijf is van de personenbelasting. Met andere woorden: de coherentie tussen de vennootschapsbelasting en de personenbelasting is verzekerd. Het respecteren van de equivalentie tussen de belasting op dividenden en die op beroepsinkomsten leidde in 1962 tot de verplichte belastingaangifte en het samentellen van de dividenden met andere inkomsten (beroepsinkomsten, inkomsten uit onroerend goed en diversen). Nochtans is de belasting op dividenden in 1983 weer gewijzigd in een bevrijdende roerende voorheffing.  

Vandaag is de vennootschapsbelasting een autonome en coherente materie. De belasting is jammer genoeg losgekoppeld van de personenbelasting hoewel een vennootschap uiteindelijk nog altijd in handen is van een persoon. Maar zoals we zullen zien, kent de geschiedenis van de belastingen geen einde.

Mail