zaterdag 13/10/2018

Top Header

Talen

Hoe zit het nu eigenlijk met de wereldeconomie?

Chief Economist

De wegzakkende aandelenmarkten en de forse daling van de grondstoffenprijzen, zaaien twijfels over de sterkte van de wereldeconomie. Tegelijk tonen ook de vertrouwensindicatoren tekenen van aarzeling. Wat mogen we nu verwachten voor de nabije toekomst? Door Hans Bevers.

De wegzakkende aandelenmarkten en de forse daling van de grondstoffenprijzen, zaaien twijfels over de sterkte van de wereldeconomie. Tegelijk tonen ook de vertrouwensindicatoren tekenen van aarzeling. Iedereen lijkt vooral naar China te kijken als de belangrijkste bron van de problemen. Zoals we vorige week al schreven, is het inderdaad zo dat China moeilijkheden ondervindt om de overstap te maken naar een economie die meer gestoeld is op binnenlandse consumptie. Enkel naar China wijzen lijkt evenwel al te gemakkelijk. Uiteindelijk leverden de jongste cijfers over de Chinese economie geen negatieve verrassingen op en bovendien lijken de stimuleringsmaatregelen die de Chinese overheid sinds eind 2014 heeft genomen een stabiliserend effect te hebben op de economische activiteit, al blijft de neerwaartse trend op langere termijn natuurlijk volledig overeind.

De nulrente en het feit dat de centrale banken de geldsluizen wijd open hebben gezet, kunnen niet beletten dat de wereld zeven jaar na het begin van de grote recessie, nog altijd kampt met de nasleep ervan. Wat mogen we nu verwachten voor de nabije toekomst? Zoals de Deense natuurkundige en filosoof Niels Bohr ooit zei: “Voorspellen is moeilijk, vooral als het om de toekomst gaat.” We kunnen ook verwijzen naar de woorden van de Amerikaanse economist Solomon: “de enige functie van het maken van economische vooruitzichten, bestaat erin ervoor te zorgen dat astrologie respectabel lijkt.”  Ook JK Galbraith verwoordde het ooit krachtig: “economisten maken geen voorspellingen omdat ze het weten, ze maken voorspellingen omdat het hen wordt gevraagd.”

Zoals vorige week al aangehaald, hebben de recente ontwikkelingen in China ons niet meteen meer bezorgd gemaakt dan we al waren. De verdere daling van de olieprijzen is veel meer het gevolg van het huidige overaanbod dan een voorteken van een nakende economische rampspoed. We maken ons ook niet al te veel zorgen over een mogelijke forse ommekeer van het monetaire beleid. Ondanks de eerste renteverhoging die de Federal Reserve vorige maand doorvoerde, zal het globale monetaire beleid meer dan waarschijnlijk nog enige tijd soepel blijven. Al is het ook zo dat niet-conventionele beleidsmaatregelen zoals de kwantitatieve versoepeling (QE) absoluut geen wondermiddel zijn als de rente op 0% ligt of zelfs nog iets lager (liquiditeitsval). Omwille van de beperkte toename van de economische activiteit en van de wereldwijde hoge schuldgraad zou het effectief nastreven van hogere beleidsrentes een echte beleidsfout zijn. Maar de aan de gang zijnde discussies binnen de ECB tussen de zogenaamde haviken en duiven, wijzen er anderzijds kennelijk ook op dat de verwachting dat er nog fors meer stimulerende maatregelen zullen komen, ook enigszins moet worden getemperd. We herhalen hier nog maar eens dat het voor de ECB een moeilijke uitdaging zal zijn om het inflatiestreefdoel van om en bij de 2% te halen. Bovendien blijven ook verschillende politieke risico’s bestaan. Het is wel enigszins bemoedigend dat de jongste vertrouwensindicatoren voor de eurozone blijven wijzen in de richting van een aanhoudend herstel, zij het voorlopig slechts tegen een gezapig tempo als je de sterke rugwind van de lagere euro, rente en grondstoffenprijzen in rekening brengt.

Dat de voorlopende indicatoren in de Verenigde Staten op een duidelijke groeivertraging hinten, baart iets meer zorgen. De consensusverwachtingen van het IMF, de OESO en de Europese Commissie, die uitgaan van een groei van bijna 2,5% lijken dan ook te optimistisch. Zelf gaan wij voor de Amerikaanse economie uit van een groei met 1,8%, een cijfer dat ook lager ligt dan de 2% dat overeenstemt met de Amerikaanse potentiële groei. Bovendien lijken de risico’s eerder neerwaarts gericht. Een minderheid van de waarnemers zelfs denkt dat de Amerikaanse economie snel weer in een recessie kan belanden. Dat lijkt ons (voorlopig) evenwel nog een brug te ver, aangezien de consumptiebestedingen ondersteund worden door zeer lage energieprijzen en door de aanhoudende verbetering van de situatie op de vastgoed- en arbeidsmarkt.

Maar aangezien de reële kortetermijnrente nog altijd onder de 0% ligt, betekent het bijzonder bescheiden tempo van het economische herstel ook dat het risico op een langdurige stagnatie niet zomaar mag worden onderschat. Uiteindelijk was er ook al vóór 2008 een wereldwijde daling van de reële rentevoeten, en dit ondanks de altijd maar groter wordende   schuldenhefboom en de al bij al gunstige demografische ontwikkelingen. De rugwind die de economie van die factoren kreeg, zal de komende jaren verdwijnen, en dat impliceert dat de toestand van een wereldwijde liquiditeitsval nog langer kan blijven voortduren. De recente technologische vooruitgang in heel wat domeinen vormt misschien een reden om toch wat optimistischer te zijn over de economische toekomst. Maar anderzijds is niet duidelijk hoe snel het proces van automatisering en disruptieve technologische vooruitgang zal verlopen en al helemaal niet wat en hoe sterk de effecten zullen zijn voor de prijzen, de werkgelegenheid en de ongelijkheid in de wereld. Zoals we hierboven dus al zeiden: de toekomst is onzeker.  

Mail