zaterdag 23/03/2019

Top Header

Talen

Hoe kunnen we robots belasten ?

Head of Macro Research

Na de eerste twee industriële revoluties, zitten wij nu volop in de digitale revolutie en die wijzigt de aard van de vooruitgang, de tijd-ruimteverhouding. Er stelt zich weliswaar ook een ander probleem: hoe zullen we de inkomsten op arbeid belasten in een situatie waarin veel taken automatisch verlopen? In dit artikel gaat Bruno Colmant op zoek naar de implicaties en gevolgen van deze 'shift to digital'.

In Genesis (3 :19) staat er “In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten”. Wij moeten dus werken om te overleven. Maar die voorvaderlijke discipline geldt misschien niet meer. Onze Westerse gemeenschappen veranderen ingrijpend. De economische globalisering leidt tot een complexe en multipolaire wereld. Na de eerste twee industriële revoluties, namelijk die van de jaren 1780 die betrekking had op wetenschap en technologie in de textielindustrie, in de metallurgie en het spoorvervoer, en de revolutie die in de jaren 1880 begon met het verschijnen van de verbrandingsmotor, de elektriciteit, de auto en de luchtvaart, komen wij nu in een derde economische revolutie: die van de mobiliteit van kapitaal en informatie. Dat is de digitale revolutie. Die derde revolutie wijzigt de aard van de vooruitgang. Het verspreiden van wetenschappelijke inzichten en technologische ontwikkelingen gebeurt van nu af aan even snel als de overdracht van informatie en kapitaalstromen. Die economische globalisering verandert de tijd-ruimteverhouding. Zij is mondiaal en maakt dat kennisvorming en de commercialisering ervan geografisch van elkaar losstaan.

De commerciële wereld ondergaat drie diepgaande veranderingen.

 

Vooreerst betekent het digitale tijdperk voor de diensteneconomie wat de desindustrialisatie betekende voor de industriële economie. Fysieke stromen verlaten de reële economie en worden digitale stromen die via het internet getransporteerd worden. Het gaat om alle bestaande applicaties die via Smartphones verplaatst worden, maar ook over nieuwe manieren om handel te drijven (Amazon, eBay) en nieuwe betalingswijzen (Apple Pay). Ook de administratie wordt geautomatiseerd. Praktisch gezien zullen heel wat dienstverlenende bedrijven hun interne processen vereenvoudigen en de relaties met hun klanten via computertoepassingen en robotica laten verlopen. Die verbindingen zullen de vroegere rol van de werknemers overnemen. Zonderling aan die digitale economie is dat er geen sprake is van een geografische overlapping tussen het werk van een tussenpersoon die verdwijnt, en een informaticacentrum dat zich dikwijls in een ander land bevindt.

Het internet is zo uitgegroeid tot een substituut voor de geografische spreiding van productiefactoren wat delokalisatie en desynchronisatie van productieketens mogelijk maakt. Keynes heeft trouwens al in 1930 dat fenomeen beschreven en daarbij verwezen naar technologische werkloosheid.

De tweede verandering bestaat erin dat de bedrijven die de digitale globalisering aansturen, bedrijven zijn met een quasi-monopolie, althans in sommige regio’s. De Verenigde Staten onderhouden die monopolies, terwijl het Amerikaanse kapitalisme zeer lang gericht was op het doen uiteenvallen ervan. Denk maar aan de telecommunicatie (AT&T) in 1982. Ook al moest de telecommunicatie zich opsplitsen, we zouden ons niet kunnen inbeelden dat hetzelfde gebeurt met Microsoft of andere nieuwe operatoren die betrokken zijn bij de digitalisering (zoals Google).

En ten slotte beperkt de democratie zich tot de landsgrenzen. Morgen zullen grote bedrijven, waaronder de bedrijven betrokken bij de digitalisering, de landen domineren. Afhankelijk van bepaalde factoren zullen die bedrijven de groei aanwakkeren of in de kiem smoren. De soevereine macht van een bepaald land zal daarbij slechts een bijkomende rol kunnen spelen. Wij moeten de evolutie van de internationale handel dus opnieuw volgens die grote lijnen uitdenken.

Maar er stelt zich een ander probleem, namelijk het belasten van de inkomsten uit arbeid, of zelfs het begrip ‘inkomen’ in een situatie waarin veel taken automatisch verlopen. Onze belastingsystemen werken immers op basis van een traditionele economie, dat wil zeggen met een tastbare toegevoegde waarde van menselijke, industriële of intellectuele aard. Als de mensen door een computer of een robot vervangen worden, dan verplaatst de productiviteitswinst zich naar het bedrijf dat eigenaar is van die processen of ze aanstuurt. Die productiviteitswinst ligt aan de basis van de vergoeding van de werknemer en dus van de professionele belasting van de toegevoegde waarde. Met andere woorden, de belastbare basis verschuift van het inkomen van een persoon naar dat van een bedrijf.

Dat vormt geen probleem als de belastingverschuiving onder dezelfde belastingautoriteit valt. Maar in de digitale economie is dat spijtig genoeg niet het geval, omdat de toegevoegde waarde van de processen zich dikwijls in het buitenland bevindt en omdat het ingewikkeld is om buitenlandse groepen of informatiestromen aan een coherente belasting te onderwerpen. Je zou er natuurlijk aan kunnen denken om het verbruik van digitale stromen te belasten in de vorm van een verbruiksbelasting. Dat zou echter veronderstellen dat de informatieoverdracht, die enkel een zijdelings verplaatsen van stromen is zonder systematisch toegevoegde waarde, correct gemeten wordt. Fiscaal is dat onmogelijk, en zelfs ondenkbaar, omdat dat zou neerkomen op het vooraf belasten van de creativiteit en het ondernemerschap die zouden kunnen voorkomen uit een onmiddellijke toegang tot informatiebronnen. De revolutie van de informatieoverdracht leidt op zich tot een instant gevoel van geschiedenis, dat wil zeggen dat de notie van tijd wijzigt. Zo ontstaan er snel vluchtige en tijdelijke groepen die de uitwisseling, de creativiteit en de handel stimuleren. Die nieuwe relatie van de mens tot informatie leidt tot flexibele, mobiele en multilocale netwerken.

Er bestaan daarover al theorieën. Volgens de theorie van de Zwitserse econoom Jean de Sismondi (1773-1842) is de verschuiving naar automatisering in het voordeel van het patronaat. Volgens Sismondi is de machine het middel bij uitstek om vermogen op te bouwen, omdat ze geen loon nodig heeft. Hij stelde voor om alle personen die door een machine vervangen worden, levenslang een rente uit te keren op basis van de rijkdom die de mechanisering met zich meebrengt. Met andere woorden, de eigenaar of beheerder van de productieprocessen zou een belasting moeten betalen die overeenstemt met een deel van de productiviteitswinsten die hij aan de ‘collectieve’ handelssfeer onttrekt. De theorie van Sismondi verwijst naar de tegengestelde productiefactoren, namelijk kapitaal en arbeid. Zij gaat over de verdeling van de productiviteitswinsten of van de ‘meerwinsten’ van de Marxistische theorie. Spijtig genoeg leidt zij ertoe dat de opbrengst die het kapitaal dankzij de innovatie boekt, wordt vernietigd, zonder dat zij het Schumpeteriaans karakter van de golven van creativiteit en vooruitgang aanvaardt. De stellingen van Sismondi vormen ook een vruchtbare bodem voor de universele allocatietheorieën. Wel kun je je vragen stellen bij hun financiering, als de hoeveelheid arbeid (en de meeropbrengst van arbeid) afneemt ten voordele van de toenemende meeropbrengst van kapitaal. En dat komt ook neer op het verschuiven van de personenbelasting naar de vennootschapsbelasting, zonder te vergeten dat de digitalisering van de economie, gedeeltelijk, een publiek goed is. Bovendien, één vraag gaat over het verzekerende karakter van de sociale zekerheid die gebaseerd is op een verwerkende economie, een situatie die ver af staat van een digitale economie.

Het is duidelijk, de digitale revolutie doet heel wat vragen rijzen op maatschappelijk vlak. Wij zitten in een nooit geziene industriële revolutie, die grenst aan de artificiële intelligentie, een revolutie van onfeilbare productieprocessen die de vermoeidheid en de onmacht van de mensen te boven gaat, en van processen die repetitieve taken vervangen. Heel de economie zal door de digitalisering ontwricht worden, dat wil zeggen dat talrijke menselijke activiteiten vervangen zullen worden. Niets zal aan deze Orwelliaanse wereld kunnen ontsnappen. Die economie zal gedecentraliseerd zijn. Professionele rentes en privileges zullen uitgehold worden. Hele industrieën zullen gevaar lopen. Het gaat om bedrijven waar de mensen zich beperken tot het uitvoeren van bemiddelende taken of om beroepen die hun grondslag vinden in de onderlinge verdeling van parameters (banken, verzekeringen). Het in de lucht opgaan van de stabiliteit zal ook de sociale systemen aantasten en de solidariteit uithollen, die zelf weer steunt op de onderlinge verdeling van risico’s en situaties. De verschuiving op maatschappelijk vlak is diepgaand, zonder echter tot de ondergang te leiden. De gevaren van de digitale economie kunnen moeilijk beschreven worden, want de verschuiving gebeurt stiekem. De grondslag, namelijk de dialoog tussen landen en markten, is onduidelijk.

Als de productiviteitswinsten verschuiven naar digitale processen waaruit de eigenaars belangrijke schaalvoordelen kunnen halen, zal ook de grondslag van de belastingen in vraag gesteld worden. Het belasten van processen of van informatiestromen en informatieverwerking lijkt ingewikkeld en zelfs onlogisch. Intuïtief denken wij dat het antwoord van de fiscaliteit op die evolutie erin zal bestaan om een verschuiving door te voeren van een belasting op beroepsinkomen naar een verbruiksbelasting op goederen en diensten (inclusief elektronische diensten, maar zonder bepaalde informatiestromen) en om sommige kapitaalinkomsten te onderwerpen aan een vennootschapsbelasting, waarvan de details nog niet uitgewerkt zijn. De belasting naar de consumptie verleggen, lijkt volgens mij een antwoord te geven op de toenemende mobiliteit van personen, kapitalen en informatie. Bovendien heeft de consumptiebelasting een ruime grondslag en wordt ze onmiddellijk geïnd. Is die evolutie echter wenselijk uit het oogpunt van de sociale rechtvaardigheid? Misschien niet, maar ze lijkt wel verband te houden met een grondige wijziging van het fiscale begrip beroepsinkomen, en zelfs van het begrip inkomen.

Mail