vrijdag 22/03/2019

Top Header

Talen

De digitale revolutie stelt de maatschappelijke organisatie in vraag

Head of Macro Research

Wij zitten midden in een ongeziene industriële revolutie, die flirt met de artificiële intelligentie, onfeilbare processen die de mentale spankracht van de mensen te boven gaat en processen die repetitieve taken vervangen. Het is een omgekeerde wereld: de IT-bedrijven heersen over de overheden, terwijl die laatste zich moeten beperken tot het bewaren van de sociale orde en geconfronteerd worden met beloftes die zij niet kunnen waarmaken. Wij staan op de drempel van een nieuwe wereld, waar innovatie en creativiteit de plak zwaaien.

Een twintigtal jaar geleden hebben heel wat industriële bedrijven nieuwe winstbronnen aangeboord door hun productie te verplaatsen naar landen in Oost-Europa, die het communistische tijdperk amper ontgroeid waren. Vervolgens gebeurde dat naar Aziatische landen om te profiteren van geringere arbeidskosten.

Het verschil in arbeidskosten deed onze welvaart stijgen. Was het een visionaire stap of een toevalstreffer? Moeilijk te zeggen: de theorie van het comparatieve voordeel stelt dat activiteiten het best uitgeoefend worden  waar de productiekosten lager zijn.

Het is hoe dan ook duidelijk dat productiebedrijven die verhuisd zijn, nooit meer terugkomen, temeer omdat desindustrialisering kenmerkend blijkt te zijn voor samenlevingen die al een zekere maturieteit hebben. Spijtig genoeg hebben wij, ondanks de theorie van het comparatieve voordeel van Ricardo, nagelaten om in eigen land voldoende competenties te ontwikkelen en hebben wij een afwachtende houding aangenomen.

Sterker nog: we hebben een diensteneconomie in stand gehouden, die nu op haar beurt verplaatst wordt en dus het land verlaat.  Door de digitalisering van de economie zijn er veel minder tussenpersonen nodig. Heel wat dienstverlenende bedrijven zullen de komende jaren hun interne procedures en hun contacten met klanten vereenvoudigen dankzij informaticatoepassingen, robotisering en domotisering. Daardoor zullen werknemers niet langer de rol kunnen vervullen die zij tot nu toe hadden.

Het verspreiden van wetenschappelijke inzichten en technologische ontwikkelingen gebeurt van nu af aan even snel als de overdracht van informatie en kapitaalstromen. Die economische globalisering verandert de tijd-ruimteverhouding. Zij is mondiaal en maakt dat kennisvorming en de commercialisering ervan geografisch van elkaar losstaan. Het maatschappelijk leven verloopt nu wereldwijd synchroon. De meeste mensen kunnen, individueel of gezamenlijk, gelijktijdig met elkaar in contact staan. De revolutie van de informatieoverdracht leidt op zich tot een instant gevoel van geschiedenis, dat wil zeggen dat de notie van tijd wijzigt. Zo ontstaan er snel vluchtige en tijdelijke groepen die de uitwisseling, de creativiteit en de handel stimuleren. Die nieuwe relatie van de mens ten opzichte van informatie leidt tot flexibele, mobiele en multilocale netwerken.

Het internet is zo uitgegroeid tot een substituut voor de geografische spreiding van productiefactoren, wat delokalisatie en desynchronisatie van productieketens mogelijk maakt. Uit verschillende studies in diverse Europese landen blijkt dat bijna 40% van de metiers zou kunnen overwegen om taken te automatiseren. Natuurlijk zullen andere metiers het daglicht zien, maar de aard van hun intellectuele of manuele inhoud is nog vaag. Dat proces is inherent aan de creatieve destructie van de Schumpeteriaanse golven van menselijke vooruitgang. Spijtig genoeg komt de creatie voor de destructie, zoals Schumpeter perfect had voorspeld. De digitale innovatie komt dus voor een golf van banenvernietiging, waarbij technologie een competitief wapen is.

Een technologische wereld zal eisen dat de exacte wetenschappen op een hoger niveau getild worden. Volgens een gedecentraliseerde logica dat monopolies uiteenvallen (dat is een "Uber"-isering van onze economieën) zal ze ook toelaten dat de menselijke activiteiten versnipperen. Het zou dus verkeerd zijn om te geloven dat de digitalisering enkel de manuele taken zal beïnvloeden: steeds meer intellectuele taken (zoals onderwijs) zullen door de digitalisering onderuit gehaald worden, omdat technologie de vroegere structuren van informatieoverdracht ondergraaft. Natuurlijk kunnen wij ons voorstellen dat de verspreiding van de digitale economie tot een zodanige stijging van de productiviteit leiden zal dat minder arbeid noodzakelijk wordt. Toch bestaat de kans dat die digitale revolutie de sociale contacten tenietdoet, want ze is sterk gedecentraliseerd en individualistisch, terwijl onze sociaaleconomische organisaties geregeld, gecentraliseerd en collectief zijn.

Wij dachten dat de globalisering een beweging naar het oosten was, dat wil zeggen naar landen waarheen wij onze productiecapaciteit verplaatst hadden. Een tijdelijk rijkdomeffect door die verplaatsing maakte ons bovendien blind voor ons gebrek aan innovatie. Voortaan zal het westen onze rijkdom opslorpen. De landen die het internet controleren, zullen door die digitale desintermediatie het grootste deel van onze economische stromen aantrekken. Die bedrijven bestaan nu al. Hun namen zijn Google, Apple, Amazon, enz. en alle bedrijven die van hun technologische voorsprong profiteren. Kenmerkend voor deze bedrijven is dat zij zeer kapitaalintensief zijn en weinig nieuwe banen scheppen, en dat zij nagenoeg een monopoliepositie bekleden, die zij door financiële middelen en innovatievermogen instandhouden. Terwijl het buiten kijf staat dat zij voor vooruitgang zorgen, zullen zij de productiviteitswinst wegkapen die normaal gezien met de economische groei overeenstemt. Tegenover die bedrijven heeft de spontane markteconomie weinig kans.

Om die ongelofelijke maatschappelijke verschuiving die ons te wachten staat, te begrijpen en, vooral, om er ons op voor te bereiden, moeten wij ons wereldbeeld wijzigen. Wij moeten het beeld van een verticale wereld en van voorraden (zoals die van gebouwen die onze bedrijven huisvesten) laten vallen en in een horizontale wereld stappen, dat wil zeggen een wereld van stromen. Het is alsof de immateriële economie in essentie een zijwaartse slingerbeweging was. Volgens die logica van verticaliteit zullen de handelspatronen doorbroken worden, in de zin van een desintermediatie. Die nieuwe perceptie van de wereld vergt veelzijdigheid en flexibiliteit, want onze mentale patronen, die vooral door deductie werken, moeten voortaan inductie aanleren.

Nu al domineren bedrijven de landen, die heen en weer geslingerd worden tussen hun consumerende burgers en diezelfde bedrijven waarvan de consumerende burgers de diensten gebruiken. De digitalisering zou dus de maatschappelijke verhoudingen kunnen scheeftrekken door het afbrokkelen van de middenklasse en het toenemen van de sociaaleconomische ongelijkheid. Vooral de Europese landen staan voor de verscheurende keuze tussen de noodzaak om de sociale orde te verzekeren in een situatie van onbetaalbare overheidsschuld en de geografisch mobiele buitenlandse bedrijven die op een groot deel van de productiviteitswinst beslag leggen. Als dat (simplistische en pessimistische) aanvoelen bevestigd wordt, dan zou het binnenlands beleid van de Europese landen onder staatstoezicht komen, terwijl de commerciële sector gedomineerd zou worden door enkele internationale spelers waarop de overheid geen greep meer zou hebben. Wij zouden ons zelfs kunnen inbeelden dat die internationale bedrijven de middenklasse van bepaalde landen naar hun pijpen doen dansen naargelang van hun commerciële belangen en dat de rol van de landen beperkt wordt tot het moeten onderhandelen over fiscale afspraken om voldoende banen en activiteiten in eigen land te behouden.

Wij kunnen samenvatten dat wij niets begrepen hebben van de globalisering, want zij is tweeledig: er is een geografische globalisering (naar het oosten en die betrekking heeft op de productie) en een intellectuele globalisering (naar het westen die betrekking heeft op de diensten). Wij hebben te maken met een ongeziene industriële revolutie, die grenst aan de artificiële intelligentie, met onfeilbare processen die de mentale spankracht van de mensen te boven gaat en processen die repetitieve taken vervangen. Het is een omgekeerde wereld: de IT-bedrijven heersen over de landen, terwijl die laatste zich moeten beperken tot het bewaren van de sociale orde en geconfronteerd worden met beloften die zij niet kunnen waarmaken. Wij staan op de drempel van een nieuwe wereld, waar innovatie en vindingrijkheid de plak zwaaien. Het is een wereld die ver verwijderd is van het industriële tijdperk, een plastische en veelzijdige wereld waarvan de basis – dat is de dialoog tussen overheid en markten – onduidelijk is. Europa zal zijn model in twee tegengestelde, maar wel verenigbare, richtingen moeten herzien: flexibilisering van het werk en maatschappelijke solidariteit. Achter die golf van digitalisering staat immers de afbrokkeling van de middenklasse en de destabilisering van de tertiaire sector.

Wat moeten wij doen? Ik ben er steeds meer van overtuigd dat de oplossing moet komen van een formelere benadering van onze economische ontwikkeling in navolging van de vijfjarenplannen van Frankrijk na de oorlog. Er moet een impuls komen die publieke en private instanties dichter bij elkaar brengt en die leidt tot geconcentreerde inspanningen voor bepaalde domeinen. Die denkpiste lijkt aan relevantie te winnen, aangezien het fundament van de vooruitgang berust op het onderwijssysteem. Ik stel dan ook de volgende vraag: berust de economische ontwikkeling niet veel meer op een van boven opgelegde benadering, zoals wij zien in bepaalde domeinen in de Verenigde Staten, in Duitsland en in talrijke Aziatische landen? Het feit dat de landen te maken hebben met internationale bedrijven die de economische rente opstrijken, sterkt dat aanvoelen. "Compensaties" eisen, zoals in de jaren zeventig gebeurde voor buitenlandse orders, is uiteraard achterhaald, want wij zitten in een revolutie waarbij weinig arbeidskrachten betrokken zijn. Het gaat er dus om te weten waar de productiviteitswinsten – met andere woorden de reële groei – van onze binnenlandse economie vandaan zullen komen. En op die vraag antwoordt iedereen door zich te onthouden. Misschien omdat het te laat is om een begrijpelijk antwoord te geven, al was het maar een vage bezweringsformule. Het is aan de overheid om een sterk signaal te geven.

Mail