vrijdag 12/10/2018

Top Header

Talen

Hoe is het gesteld met onze internationale concurrentiekracht?

Voor een kleine open economie als België is de concurrentiekracht van levensbelang. Maar hoe goed scoort ons land eigenlijk op het vlak van onderwijs, infrastructuur, gezondheidszorg en informatietechnologie? Dat is een van de vragen die onze economen aansnijden in hun boek.

 

'Concurrentiekracht’ is een ietwat vaag, glibberig en allesbehalve eenduidig concept. Er bestaan dan ook verschillende definities van internationale competitiviteit. De OESO definieert het als de mate waarin een land in eerlijke internationale marktomstandigheden goederen en diensten voortbrengt die het reële inkomen van zijn inwoners op lange termijn handhaven en verhogen kunnen.

België zag zijn exportaandeel in de
wereldhandel dalen.
Bedroeg dat aandeel in 1980 nog bijna 3%,
dan is dat anno 2017 teruggevallen
tot net onder 2%.

Doorheen de jaren zagen verschillende internationale rangschikkingen het licht. De bekendste zijn wellicht de Global Competitiveness Index van het Wereld Economisch Forum en de World Competitiveness Scoreboard van het Zwitserse IMD-instituut. De Franse Businessschool
INSEAD lanceerde de Global Innovation Index. Die rangschikkingen brengen tientallen indicatoren in rekening en moeten daarom omzichtig geïnterpreteerd worden. Meestal gaat het om een combinatie van input- en outputfactoren gaande van onderwijs, infrastructuur, publieke dienstverlening tot onderzoek en ontwikkeling, gezondheidszorg en informatietechnologie. Ze geven voor België een vrij consistent beeld. Ons land bevindt zich doorgaans in de middenmoot. We blijven steevast achter op toplanden als Zwitserland, Nederland, Singapore, Denemarken, Zweden en de VS.

Historisch perspectief

De evolutie van de reële effectieve wisselkoers, d.i. de nominale wisselkoers ten opzichte van de belangrijkste handelspartners (weging) gecorrigeerd voor de ontwikkeling van de loonkosten en de arbeidsproductiviteit, is nog altijd een van de beste maatstaven om de internationale concurrentiepositie doorheen de tijd te beoordelen.  Een depreciatie van de wisselkoers is veruit de gemakkelijkste manier om een verloren uitgangspositie te verbeteren. Dat blijkt uit onder meer de voorbeelden van Argentinië (2002) en IJsland (2008). Ook de depreciatie van de Belgische frank in 1982 zorgde voor een forse verbetering van de handelsbalans. Ze zorgde er eveneens mee voor dat we ons exportmarktaandeel opkrikken en onze exportprestatie konden consolideren, althans tot halverwege de jaren negentig. Sindsdien ziet België zijn exportaandeel in de wereldhandel dalen. Bedroeg dat aandeel in 1980 nog bijna 3% volgens cijfers van de OESO, dan is dat anno 2017 teruggevallen tot net onder 2%.

Een gelijkaardige evolutie viel waar te nemen op de lopende rekening van de betalingsbalans. Terwijl de handelsbalans in 1994 nog een surplus van 5,5% van het bbp liet optekenen, was dat tegen 2008 een tekort van 3% geworden. Die achteruitgang was voor een deel te wijten aan de verslechtering van de ruilvoet.  Dit doet zich voor als de uitvoerprijzen minder snel stijgen dan de invoerprijzen. De sterke stijging van de grondstoffenprijzen biedt hier dus een deel van de verklaring. De andere verklarende factor is dat de volumegroei van de uitvoer achterbleef op die van de invoer. De opkomst van de opkomende landen en met name China is hier natuurlijk niet vreemd aan, net als de appreciatie van de euro.

Loonkostenhandicap

In mei 2012 liet het Federaal Planbureau zich in een tussentijds rapport vrij kritisch uit over het internationale concurrentievermogen van ons land. Vooral sinds 2005 waren de loonkosten per eenheid product in België namelijk sneller gestegen dan in onze drie buurlanden Frankrijk, Nederland en Duitsland. De instelling spoorde de Belgische beleidsmakers bovendien aan om de loonkostenhandicap weg te werken en meer in te zetten op innovatie, onderwijs en kwaliteitsvolle overheidsinfrastructuur. Nochtans moest de wet van 1996 ter bevordering van de werkgelegenheid en vrijwaring van het concurrentievermogen ervoor zorgen dat de loonkostenevolutie in ons land gecontroleerd verliep. Het echte probleem was dat de toekomstige loonevolutie, meer bepaald in Duitsland, systematisch overschat werd. Bovendien droeg de stijging van de olieprijzen sinds 2004 bij tot sterkere inflatie. Het automatische loonindexeringsmechanisme in ons land zorgde op die manier voor een extra belasting op de concurrentiekracht van Belgische ondernemingen. De wet voorzag wel in een corrigerend luik, maar dat werd onvoldoende en niet automatisch toegepast. Daardoor liep de loonkostenhandicap in 2012 op tot ruim 4,5%.

De Belgische loonkostenhandicap daalde de voorbije jaren echter aanzienlijk. In die mate zelfs dat het sinds 1996 aanwezige loonkostenverschil met onze buurlanden volledig verdween. Dat bewijst dat de maatregelen betreffende de reële loonblokkering (2013-14), de loonmatiging (2015-16), de indexsprong en de taxshift tijdens de afgelopen vijf jaar wel degelijk hun vruchten afwerpen. De Belgische werkgevers schatten dat er nog altijd een historische loonhandicap blijft bestaan van ongeveer 10%. Daarover kan weliswaar gediscussieerd worden. Die inschatting is immers enkel gebaseerd op het verschil in loonkosten per uur. Het is allicht niet verstandig om ons enkel blind te staren op de loonkosten. Ook productiviteitsverschillen, energiekosten en de mate van productdifferentiatie dienen in rekening gebracht te worden. Bovendien lijkt het in de huidige sterk geglobaliseerde economie logisch om verder te kijken dan enkel onze buurlanden.

Besluit

Het komt er minstens op aan om ervoor te zorgen dat we de (gedeeltelijk) versterkte concurrentiepositie niet opnieuw prijsgeven. Voor een kleine en open economie als België is het belangrijk de vinger aan de pols te houden. Onze uitvoer van goederen en diensten vertegenwoordigt maar liefst 84% van het bruto binnenlands product, een van de hoogste cijfers ter wereld. Die openheid ligt mee aan de basis van ons huidige welvaartsniveau. We springen er dan ook maar beter zorgvuldig mee om. De eind vorig jaar geïntroduceerde modernisering van de wet van 1996 ter bevordering van de werkgelegenheid en vrijwaring van het concurrentievermogen is alvast een stap in de goede richting. Het risico op een ontsporing in de loonevolutie ten opzichte van onze belangrijkste handelspartners wordt daardoor beduidend kleiner.
 

Ook benieuwd?
Download hier uw exemplaar in PDF-formaat.


 

Mail