zaterdag 17/11/2018

Top Header

Talen

Hoe groot is het Belgische vergrijzingsprobleem?

Head of Macro Research

Terwijl de hervorming van de pensioenen alle vakbonden doet steigeren, vormt ook de vergrijzing van de Belgische bevolking een grote uitdaging. Welke impact heeft dat fenomeen op de begroting en hoe kunnen meer mensen aan een job worden geholpen? Dat is één van de vragen die in het boek van onze economen aan bod komt. Ontdek hun visie en de oplossingen die zij voorstellen.

De Belgische bevolking wordt ouder en vergrijst. Bedroeg de Belgische mediaanleeftijd begin jaren tachtig net geen 34 jaar, dan ligt die vandaag op ruim 41 jaar. Volgens projecties van de Verenigde Naties mogen we rekenen op 45 jaar in 2040. Het aandeel van de Belgische 65-plussers in de totale bevolking zal volgens voorspellingen stijgen van 18% vandaag tot bijna 26% in 2040. De bevolking op beroepsactieve leeftijd daartegenover ziet haar aandeel verkleinen van bijna 60% vandaag tot 53% in 2040. In dat jaar zullen er voor elke 65-plusser ongeveer 2 potentiële werknemers zijn. Vandaag zijn dat er 3,2; in 1980 waren dat er nog 4. België is natuurlijk geen uitzondering. Zowat de hele westerse samenleving alsook vele Aziatische landen kampen met forse demografische tegenwind.

Oplopende vergrijzingsuitgaven

Dat we gezonder ouder worden, valt natuurlijk toe te juichen. Toch kunnen we niet om de economische impact heen. Ons pensioenstelsel is vooral gebaseerd op repartitie waarbij de huidige pensioenen gefinancierd worden door de bijdragen van de werkende bevolking. Dat systeem werd net na de Tweede Wereldoorlog ingevoerd toen de gemiddelde levensverwachting ongeveer 65 jaar was. Dat cijfer is vandaag opgelopen tot 82 jaar en zal naar verwachting stijgen tot 87 jaar in 2060. In ons land bedraagt de wettelijke pensioenleeftijd 65 jaar, maar de gemiddelde effectieve pensioenleeftijd is de voorbije decennia stevig gedaald van 64 jaar in 1970 tot 59 jaar vandaag de dag. Meer babyboomers die sneller op pensioen gaan en die bovendien langer leven, betekent uiteraard hogere pensioen- en gezondheidsuitgaven.

 

Met een productiviteitsgroei van 1%
zou de budgettaire kost van de vergrijzing

tegen 2060 oplopen tot 5,2% van het bbp
of 22 miljard in euro’s van vandaag.

 

In 2001 riep de toenmalige regering de Studiecommissie voor de Vergrijzing in het leven om te waken over de budgettaire impact. Zo krijgen we elk jaar een nieuwe projectie voorgeschoteld van de sociale uitgaven gelinkt aan de vergrijzing (pensioenen, gezondheidszorg, werkloosheidsuitkeringen, kinderbijslag en onderwijs). In 2016 bedroegen die uitgaven 25,3% van het bbp. Het jongste verslag voorziet dat de budgettaire kosten van de vergrijzing tegen 2040 zullen oplopen tot 28,5% van het bbp om vervolgens tegen 2060 te dalen tot
27,6% van het bbp. Dat komt overeen met een stijging van respectievelijk 14 en 10 miljard in euro’s van vandaag. Dat is minder dan eerdere schattingen. In 2012 bijvoorbeeld ging de Studiecommissie er nog van uit dat de vergrijzingskosten zouden oplopen tot 30,5% van het bbp tegen 2040 en tot 31,4% in 2060. De verklaring daarvoor is vooral te vinden in de pensioenhervormingen van de afgelopen jaren, zoals de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd naar 66 jaar in 2025 en 67 jaar in 2030, en de geleidelijke verstrenging van de toegangsvoorwaarden voor vervroegd pensioen, alsook de gunstigere demografische ontwikkelingen. Dit betekent dat beleidsmaatregelen wel degelijk een gunstige invloed op het kostenplaatje kunnen hebben.

Daarbij is het wel van belang op te merken dat er in dit referentiescenario uitgegaan wordt van een geleidelijke stijging van de productiviteitsgroei van 0,6% in 2022 tot 1,5% in 2035 om daarna constant op dat hoge niveau te blijven. De aanname van die hypothese kan sterk in twijfel getrokken worden en neigt zelfs naar wishful thinking als we de productiviteitsgroei over de laatste decennia 8 beschouwen. Over de laatste veertig jaar bedroeg die gemiddeld 1,3%, over de laatste twintig jaar gemiddeld 0,8%. Enige voorzichtigheid lijkt dus op zijn plaats.

Indien uitgegaan wordt van 1% productiviteitsgroei, dan zou de budgettaire kost van de vergrijzing tegen 2060 oplopen tot 5,2% van het bbp of 22 miljard in euro’s van vandaag. Bovendien wordt ervan uitgegaan dat de werkgelegenheidsgraad redelijk sterk zal toenemen tot 73% (tegenover 68% vandaag). Ook al zit het aantal werkende vijftigplussers stevig in de lift, toch is het goed mogelijk dat er nog extra ondersteunende financiële inspanningen gebeuren moeten om die doelstelling te behalen.

Kostbare tijd verloren

Ons land etaleert zich op het vlak van overheidsfinanciën en vergrijzing niet bepaald als een vooruitstrevende leerling. Na de begrotingsinspanningen in de jaren tachtig tijdens de opeenvolgende regeringen-Martens en de besparingen in het kader van het Globaal Plan onder Dehaene om toe te treden tot de eurozone, vergleed ons land in gemakzucht. Het structurele primaire begrotingssaldo, het verschil tussen de overheidsinkomsten en -uitgaven (exclusief rentelasten) gecorrigeerd voor conjunctuurschommelingen en eenmalige maatregelen, liet  tussen 2000 en 2007 een verslechtering optekenen van maar liefst 2,7% van het bbp. Met andere woorden, de rentebonus die ontstond als gevolg van de dalende interestvoeten werd volledig opgesoupeerd.

En wat met het in 2001 opgerichte Zilverfonds? Dat fonds moest een spaarpot aanleggen om de toekomstige vergrijzingskosten op te vangen. Maar het werd algauw duidelijk dat het een zoethoudertje was in plaats van een appeltje voor de dorst. Om het eenvoudig te verwoorden: werd er 100 in de pensioenpot gestoken, dan werden die er vervolgens weer uitgehaald voor de dagdagelijkse overheidswerking tegen de belofte om ze er ooit weer in te stoppen.  In mei 2016 werd dan ook uiteindelijk beslist om het Zilverfonds  op te doeken met als argumentatie dat het inderdaad ging om een lege doos. Die truc met de duif is grappig, mocht hij niet zo triest zijn. Afgelopen zomer stelde Daniel Bacquelaine, federaal minister van Pensioenen, zijn oriëntatienota voor aan de sociale partners. Dat is maar liefst drie jaar nadat de commissie  Pensioenhervorming onder leiding van professor Frank Vandenbroucke zijn visienota met het puntensysteem presenteerde. Dat suggereert dat er weerom kostbare tijd verloren gegaan is.

Besluit

Mirakeloplossingen zijn er niet en doemdenken is niet nodig. Het gaat erom een aantal voor de hand liggende maatregelen te implementeren. In essentie komt het erop neer om meer mensen aan de slag te krijgen. Dat kan door werken fiscaal aantrekkelijker te maken, maar ook door in permanente opleidingstrajecten te voorzien, door de vroegtijdige uitstroom uit het onderwijs beter tegen 8 te gaan, alternerend leren en bedrijfsstages in te voeren op alle onderwijsniveaus, de procedures voor collectief ontslag te herzien alsook het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT, het vroegere brugpensioen) af te schaffen.

De implementatie van een eenvoudig puntensysteem zou een goede zaak zijn. Het kan een doorbraak betekenen om de gemiddelde loopbaan van de Belg te verlengen. De waarde van één punt garandeert zo een inkomen dat in verhouding staat tot het gemiddelde inkomen in de samenleving. De eventuele eigen beslissing om vroeger de arbeidsmarkt te verlaten, zal hierbij op actuarieel neutrale wijze gecompenseerd worden. Met andere woorden, er wordt een correctiefactor toegepast naargelang de leeftijd en de duur van de loopbaan, zowel in positieve als in negatieve zin. Samen met een bredere uitrol van de tweede pensioenpijler zal de bevolking daardoor veel meer vertrouwen krijgen in de betaalbaarheid van de pensioenen. Veel andere landen namen al een voorsprong. Dan nog zal er tussen de sociale partners gediscussieerd moeten worden over de precieze invulling, bijvoorbeeld voor de zogenaamde zware beroepen. Maar het biedt ten minste een stevig en transparant raamwerk en gaat de huidige indruk van improvisatie tegen.

Mail