maandag 21/08/2017

Top Header

Talen

Stabiele euro pas na twee generaties

Head of Macro Research

Velen staan stil bij de grote verschillen die er in termen van staatsschuld zijn binnen de eurozone. Maar nog een andere indicator is belangrijk: het verschil op de handelsbalans (dus tussen de export en de import). Dankzij onze keuze voor de eenheidsmunt, is dat verschil echter niet meer van cruciaal belang.

Binnen de eurozone (dus niet tegenover de 'rest van de wereld') heeft één land een aanzienlijk netto exportoverschot: Duitsland (en in mindere mate ook Nederland). De andere landen hebben op de keper beschouwd een handelstekort. Voor sommige landen zoals Frankrijk gaat het om een structureel tekort. Andere hebben min of meer een evenwicht als tenminste rekening wordt gehouden met de gegevens op lange termijn. Tot die groep behoort België.

Is een structureel onevenwicht tussen de landen van eenzelfde muntzone problematisch? Neen, want het zorgt net voor samenhang in die muntunie. Een land met een netto exportoverschot heeft een vordering tegenover de landen met een handelstekort. Als dat land de muntunie zou verlaten, dan zou de waarde van die vordering dalen. Dat is de reden waarom Duitsland deel moet blijven uitmaken van de euro. De redenering geldt ook voor landen met een exporttekort. In de veronderstelling dat zo een land de eurozone verlaat en zijn verplichtingen nakomt, zouden de buitenlandse schulden ervan evenredig toenemen met de waardevermindering van de opnieuw ingevoerde eigen munt (die uiteraard in waarde is gedaald).

Maar tegelijkertijd is er ook een verband tussen een handelsoverschot en de tewerkstellingsgraad. Landen met een overschot zijn door hun intrinsieke eigenschappen een aantrekkingspool voor landen met een tekort van zodra een waardedaling van de wisselkoers niet meer mogelijk is. Landen met een overschot dwingen diegene met een tekort er bijgevolg toe om hun concurrentienormen over te nemen, tenminste voor zover ze over hetzelfde soort industrie beschikken.

Die vaststelling geldt voor elke monetaire zone, waarvan er geen enkele optimaal is. In theorie bestaat de oplossing erin, althans gedeeltelijk, dat arbeidskrachten en kapitaal vrij kunnen bewegen. Om zich van werkgelegenheid te verzekeren, zouden de werknemers uit een land met een handelstekort moeten emigreren naar een land met een overschot, precies zoals in de Verenigde Staten gebeurt.

Door onder meer politieke, culturele en taalkundige hindernissen is dat in de praktijk niet zo evident. Bovendien houdt die oplossing ook geen rekening met de realiteit van volkeren en politieke systemen, die voor sommigen het hoogste goed zijn. Daarom weerleggen ze de vaststelling dat migratiestromen om monetaire redenen orde op zaken stellen in de reële economie.

Een muntunie tot stand brengen is een uiterst complexe opdracht, waarvan een duurzaam evenwicht creëren een tijdrovend onderdeel is. Algemeen wordt gesteld dat de meeste pogingen mislukken na 15 jaar. Dat geldt niet voor de euro. Maar een stabiel evenwicht vinden op het vasteland zal ongetwijfeld twee generaties in beslag nemen.