maandag 27/02/2017

Top Header

Talen

Verdrag van Maastricht blaast 25 kaarsjes uit. Wat nu?

Head of Macro Research

In het kielzog van de Duitse hereniging vond de ondertekening plaats van het Verdrag van Maastricht, nu 25 jaar geleden. Dat verdrag vormt de basis van de euro, die in girale vorm van start ging in 1999. Muntstukken en biljetten volgden in 2002. Toch is er allerminst een reden om te feesten. In 2012 moest de voorzitter van de ECB al beloven dat hij alles zou doen om de munt te redden. Wie toen aanwezig was bij de ondertekening van die cruciale tekst, staat nu allicht niet te springen voor een reünie. De euforie van toen heeft plaatsgemaakt voor verdeeldheid en verbittering over het onafgewerkte project.

De invoering van de euro was niet de eerste poging om een Europese muntunie tot stand te brengen. Al ruim tweehonderd jaar geleden streefde Europa ernaar om de wisselkoersen van de belangrijkste lidstaten te harmoniseren. Tal van pogingen passeerden de revue: Napoleon I probeerde het met de Goudfrank (of Germinal-frank), Napoleon III volgde in 1865 zijn voorbeeld met de Latijnse Muntunie. Nadien volgden nog de Conferentie van Genève, de Akkoorden van Genua (1922) en het Goudblok van 1933. Ook de akkoorden van Bretton Woods uit 1944 horen in dat rijtje thuis. De filosofie die daarachter schuilging, was een goudpariteit tussen de belangrijkste grootmachten van na de oorlog.

Na de instorting van het systeem van Bretton Woods in 1971 zochten de Europese landen hun heil in een wisselkoersmechanisme, de zogenaamde 'monetaire slang'. Dat systeem zou slechts enkele jaren standhouden (van 1972 tot 1978). Al in 1979 werd het Europese Muntsysteem (EMS) opgericht. Ondanks het hobbelige parcours daarvan (na Zwarte Woensdag verliet het Britse pond in 1992 het Europese Wisselkoersmechanisme) zou het systeem gehandhaafd blijven tot 1999, het jaar waarin de euro van start ging. Het EMS maakte gebruik van een boven- en een onderlimiet waartussen de Europese valuta’s mochten fluctueren. Op regelmatige tijdstippen vond een aanpassing van de spilkoersen plaats om ze te laten devalueren of revalueren.

De fluctuatiemarges van de twaalf deelnemende valuta's werden in 1999 aanzienlijk ingeperkt. Uiteindelijk werden de munten definitief vastgeklonken aan hun spilkoers. De euro was geboren. De nieuwe munt verving de ecu die in Europa sinds 1979 dienst deed als rekeneenheid. De lidstaten zagen bovendien af van hun soevereine recht om munten te slaan. De eurozone hanteerde voortaan een systeem van vaste wisselkoersen en stapte af van het algemeen aanvaarde subsidiariteitsbeginsel (dat berust op de opvatting dat het nationale niveau instaat voor het overheidsbeleid, en niet het supranationale).

Vandaag nemen negentien landen deel aan de euro, wat toch een opmerkelijke verwezenlijking is. Voor het politieke engagement van de personen die de euro mogelijk maakten, is er dan ook veel te weinig aandacht. Helaas was de euro genoodzaakt om te veel de Duitse kaart trekken, waardoor de munt in deflatoir vaarwater terechtkwam. De ECB moest daardoor, weliswaar met enige vertraging, een beroep doen op haar geldmachine. Niet alleen om het tij van de economische crisis te keren, maar ook om de lasten van de hoge schuldgraad in tal van lidstaten te verlichten. Dat opnieuw aanknopen met economische groei geen sinecure is, is deels te wijten aan de euro zelf. Het monetaire beleid ervan berust immers op een absolute benadering, de inflatiedoelstelling van 2%, en is niet gekoppeld aan de reële economie.

Alle huidige beleidsbeslissingen met betrekking tot de gemeenschappelijke munt staan in het teken van de begrotingstekorten (en dus de staatsschulden), die betaalbaar moeten blijven. Er zou echter in de eerste plaats naar de handelstekorten moeten worden gekeken (die het verschil aanduiden tussen de export en de import op de interne markt). Omdat de valuta's van de lidstaten van de eurozone niet meer kunnen devalueren/revalueren, is de euro een gemiddelde munt geworden. Hij is te zwak voor de sterke lidstaten (netto-exporteurs) en te sterk voor de zwakkere (netto-importeurs).

De eurozone blijkt een hindernis te zijn voor haar eigen project. De staatsschulden swingen de pan uit, interne devaluaties zijn niet mogelijk en het lukt niet om de consumptie op de interne markt aan te zwengelen. Wat de zaken er beslist niet eenvoudiger op maakt. Hoe het geweer van schouder te veranderen? Door voorop te stellen dat de euro moet leiden tot een toename van de tewerkstellingsgraad, ja zelfs tot volledige tewerkstelling. Daarvoor is een structurele aanpassing van het mandaat van de ECB nodig, wat zeker geen utopie is. De Verenigde Staten gaven immers op een gelijkaardige manier gestalte aan hun monetaire beleid. Concreet moet er een volledig eengemaakte markt komen. In het verleden werd meer belang gehecht aan kapitaal (het voortbestaan van het monetaire symbool dus) dan aan arbeid. Er is dus op zijn minst een nieuw evenwicht nodig tussen de beide productiefactoren zodat arbeid opnieuw een prominentere rol kan spelen in het monetaire beleid.

De gemeenschappelijke munt moet bovendien het belasting- en begrotingsstelsel krijgen die zij verdient. Terwijl een keynesiaans ad-hocbeleid ervoor moet zorgen dat de vraag opnieuw aanzwengelt. Om die doelen te realiseren, is een uitbreiding van het mandaat van de ECB noodzakelijk. Op die manier moet het in de toekomst mogelijk worden om in het monetaire beleid rekening te houden met de economische activiteit.

Meer dan ooit hangt het voortbestaan van de euro af van het broze evenwicht op de Frans-Duitse as. Als de politiek niet snel wakker schiet en verregaande maatregelen neemt, dan kan een politieke gebeurtenis uitmonden in een monetaire secessie. Of erger nog, in een echte aardverschuiving die het lot zou bezegelen van een van de opmerkelijkste verwezenlijkingen in de muntgeschiedenis. Vanuit moreel standpunt is een dergelijk scenario onaanvaardbaar.