vrijdag 16/11/2018

Top Header

Talen

Kwartaaloverzicht deviezenmarkten

Uit onderzoek blijkt dat er een grote discrepantie bestaat tussen de reële economie en de (reële) wisselkoersen. Precies daarom vermijden we verregaande, rechtlijnige voorspellingen en proberen we de diverse macro-economische factoren die de wisselkoers kunnen beïnvloeden af te wegen.

We hanteren een aantal methodes waarvan we weten dat ze (gedeeltelijke) schommelingen van de wisselkoersen op lange termijn kunnen verklaren omdat achter elke methodologie vereenvoudigingen en/of fouten schuilgaan. Daarom komt aan elke schatting van de evenwichtswisselkoersen op basis van macro-economische variabelen heel wat beoordelingsvermogen te pas.

We evalueren alle munten vanuit Europees perspectief, tegenover de euro dus. Om onze analyse te structureren, gebruiken we net als in onze vorige update drie basismodellen waarmee we elk deviezenpaar tegenover de euro waarderen. Eerst kijken we naar het zogenaamde koopkrachtspariteitsniveau (PPP). Dat is de wisselkoers waarop de euro en de andere munt dezelfde koopkracht vertegenwoordigen. Daarnaast analyseren we de schommelingen van de (verwachte) reële rentevoeten (RIR) in vergelijking met deze van de eurozone. De onderliggende logica daarvan is dat, wanneer de reële rentevoet in land X stijgt in vergelijking met de eurozone, de euro dan in waarde afneemt om in de toekomst weer te stijgen. Het verwachte hogere rendement zal beleggers ertoe aanzetten om de obligaties van de eurozone, ondanks een lager rendement, toch te bewaren. In de praktijk is omzichtigheid geboden met die indicator aangezien er onzekerheden bestaan over de toekomstige nominale rentevoeten, inflatieniveaus en anticipatie-effecten. Ten derde kijken we naar de reële effectieve wisselkoers (REER) en de afwijking daarvan ten opzichte van historische niveaus. Hoewel die methode niets zegt over economische evenwichten, is ze toch zinvol om schommelingen van de reële effectieve wisselkoers te onderscheiden van nominale schommelingen die specifiek zijn voor een deviezenpaar (bijvoorbeeld in vergelijking met de euro).

Hieronder staan de belangrijkste conclusies voor de munten van de G10-landen:

  • Amerikaanse dollar (USD): PPP suggereert nu al geruime tijd dat de aanhoudende sterkte van de dollar niet vanzelfsprekend is. De waardevermeerdering van de dollar van de afgelopen maanden in een context van verwachte fiscale expansie in de VS lijkt bovendien de verwachtingen die voortvloeien uit RIR-verschillen te overstijgen. De stijging stuwde de REER naar een niveau dat de afgelopen tien jaar ongezien was. Ondanks deze sterkte blijft het momentum evenwel in het voordeel spelen van een aanhoudende dollarsterkte, zeker als de Fed sneller een renteverhoging doorvoert en indien Trump de aangekondigde steunmaatregelen daadwerkelijk zou implementeren.
  • Japanse yen (JPY): Na een periode waarin de yen sterk was, begon de munt te depreciëren waardoor de premie in vergelijking met het PPP-niveau geslonken is. Dat de yen in waarde daalt, bevestigt de richting die RIR-verschillen eerder al aangaven. De REER is gezakt onder het 20-jarige gemiddelde. De beleidskeuzes van de BoJ en de ECB zullen in de toekomst uiterst belangrijk zijn voor de verdere evolutie van de JPY.
  • Britse pond (GBP): Door de waardevermindering na het Brexit-referendum is de waarde van het pond nagenoeg gezakt tot op het PPP-niveau ervan. De relatieve veerkracht van de Britse economie in de nasleep van de brexit zorgde ervoor dat de munt op zijn huidige niveau kon blijven. Hoewel RIR-verwachtingen een sterkere pond suggereren, vooral dan op lange termijn, leert het REER-niveau ons dat de munt veel goedkoper is geworden sinds het referendum. Er moet wel meer duidelijkheid komen over de effecten van de Brexit op de Britse economie en de onderhandelingen met de EU om een beter zicht te krijgen op de toekomst van het pond.
  • Canadese dollar (CAD): De Canadese dollar zit onder zijn 20-jarige gemiddelde REER in de nasleep van lage olieprijzen. Toch heeft de CAD nog een premie in vergelijking met het PPP-niveau. Hoewel de CAD waarschijnlijk in ruime mate afhankelijk zal zijn van de toekomstige grondstofprijzen, suggereren de verwachte RIR-verschillen een voortzetting van de sterke CAD.
  • Australische dollar (AUD) & Nieuw-Zeelandse dollar (NZD): Beide munten dragen een premie in vergelijking met het niveau gesuggereerd door de PPP. Ook al worden de AUD en de NZD enigszins boven hun historische REER-niveau verhandeld, de RIR-verwachtingen geven geen duidelijke richting aan.
  • Zwitserse frank (CHF): Zowel volgens PPP, RIR-verschillen en de historische REER lijkt de Zwitserse Frank eerder aan de dure kant. Omdat de CHF een reputatie heeft als veilige haven, is de munt weliswaar altijd al duur geweest.
  • Zweedse kroon (SEK) & Noorse kroon (NOK): Hoewel beide munten met een premie worden verhandeld in vergelijking met hun PPP-niveau, is die premie vergelijkbaar met hun historische premie. De RIR verwachtingen wijzen op een enigszins sterkere SEK en een aanzienlijk sterkere NOK. Bovendien ligt de REER van de beide munten onder hun historische REER.

Ten slotte sluiten we ons kwartaaloverzicht af met een opmerkelijke conclusie van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS): in haar laatste overzicht van de deviezenmarkten stelt de bank dat de dagelijkse omzet van de wereldwijde deviezenhandel gedaald is in vergelijking met drie jaar geleden. Dat betekent dat er een kentering is gekomen na jaren van schijnbaar toenemende financiële integratie waarin meer en meer transacties over de grenzen heen plaatsvonden. Met de vaststelling van de BIS en het uitblijven van groei in de wereldhandel, rijst de vraag of de-globalisering weldra de nieuwe norm zal worden.

Mail