vrijdag 25/05/2018

Top Header

Talen

Kwartaaloverzicht deviezenmarkten

In deze blogpost proberen we de niveaus en schommelingen van de deviezenmarkten in kaart te brengen, tegen de achtergrond van macro-economische variabelen. Uit onderzoek blijkt dat er een grote discrepantie bestaat tussen de reële economie en de (reële) wisselkoersen. Precies daarom vermijden we verregaande, rechtlijnige voorspellingen en proberen we de diverse macro-economische factoren die de wisselkoers kunnen beïnvloeden af te wegen. We hanteren een aantal methodes waarvan we weten dat ze (gedeeltelijke) schommelingen van de wisselkoersen op lange termijn kunnen verklaren. De reden waarom we ons niet tot één enkele methode beperken, is dat er achter elke methodologie vereenvoudigingen en/of fouten schuilgaan. Daarom komt aan elke schatting van de evenwichtswisselkoersen op basis van macro-economische variabelen heel wat beoordelingsvermogen te pas.

Om onze analyse te structureren, gebruiken we drie basismodellen waarmee we elk deviezenpaar tegenover de euro waarderen. Eerst kijken we naar het zogenaamde koopkrachtspariteitsniveau (PPP). Dat is de wisselkoers waarop de euro en de andere munt dezelfde koopkracht vertegenwoordigen. Daarnaast analyseren we de schommelingen van de (verwachte) reële rentevoeten (RIR) in vergelijking met deze van de eurozone. De onderliggende logica daarvan is dat, wanneer de reële rentevoet in land X stijgt in vergelijking met de eurozone, de euro dan in waarde afneemt om in de toekomst weer te stijgen. Het verwachte hogere rendement zal beleggers ertoe aanzetten om de obligaties van de eurozone, ondanks een lager rendement, toch te bewaren. In de praktijk is omzichtigheid geboden met die indicator aangezien er onzekerheden bestaan over de toekomstige nominale rentevoeten, inflatieniveaus en anticipatie-effecten. Ten derde kijken we naar de reële effectieve wisselkoers (REER) en de afwijking daarvan ten opzichte van historische niveaus. Hoewel die methode niets zegt over economische evenwichten, is ze toch zinvol om schommelingen van de reële effectieve wisselkoers te onderscheiden van nominale schommelingen die specifiek zijn voor een deviezenpaar (meestal in vergelijking met USD).

Hieronder staan de belangrijkste conclusies voor de munten van de G10-landen:

  • USD: PPP suggereert nu al geruime tijd dat de aanhoudende sterkte van de dollar niet vanzelfsprekend is (zie hier), terwijl RIR’s en de REER een genuanceerder beeld geven. Ondanks de overwaardering van de munt, zijn vlagen van dollarsterkte mogelijk. Dat fenomeen doet zich voor als de algemene risicobereidheid afneemt en/of de Fed sneller afstevent op een volgende renteverhoging.
  • JPY: Tot voor kort stelde de versoepelingsmaatregelen van de Boj teleur, wat leidde tot een sterkere JPY. Als gevolg daarvan noteerde de yen aanzienlijk boven haar PPP-niveau. RIR-verwachtingen bevestigen de huidige sterkte van de yen en suggereren een depreciatie voor de toekomst. Toch zit de REER, ondanks de appreciatie van de afgelopen jaren, nog ver onder haar 20-jarige gemiddelde. De beleidskeuzes van de BoJ zullen uiterst belangrijk zijn voor de verdere evolutie van de JPY.
  • GBP: de pond naderde haar PPP-niveau in de nasleep van het Brexit-referendum, hoewel er nog ruimte is voor een verdere depreciatie. De waarde van het GBP zit 15% onder het 20-jarige gemiddelde REER, terwijl RIR-verschillen in de richting van een sterkere GBP wijzen. Hoewel we de huidige zwakte correct hadden ingeschat (zie hier als voorbeeld), zal er pas meer zicht komen op de toekomst van de GBP zodra de effecten van de Brexit op de Britse economie en de onderhandelingen met de EU zich manifesteren.
  • CAD: De Canadese dollar zit onder haar 20-jarige gemiddelde van de REER in de nasleep van lage olieprijzen. Toch heeft de CAD nog een premie in vergelijking met het PPP-niveau. Aangezien de RIR-verschillen niet wijzen op een duidelijke verandering van de huidige situatie, zal de evolutie van de CAD waarschijnlijk in hoofdzaak afhangen van de verwachtingen voor de grondstoffenprijzen.
  • AUD & NZD: Beide munten handelen aan een premium in vergelijking met de niveaus voorspeld door PPP. De sterkte van de NZD wordt bevestigd door de RIR-dynamieken. Zowel de AUD als de NZD liggen iets boven hun historische REER’s. Net zoals bij de CAD, zal de koers van de AUD en de NZD sterk afhangen van de verwachtingen voor de grondstoffenprijzen.
  • CHF: Zowel volgens PPP, RIR-verschillen en de historische REER lijkt de Zwitserse Frank eerder aan de dure kant. Omdat de CHF een reputatie heeft als veilige haven, is de munt weliswaar altijd al duur geweest.
  • SEK & NOK: Terwijl de NOK wordt verhandeld met een premie in vergelijking met het PPP-niveau, valt deze lager uit dan de historische premie. De RIR-verwachtingen wijzen in de richting van een sterkere NOK en bovendien ligt de huidige REER veel lager dan de historische REER. De indicatoren van de SEK geven een genuanceerder beeld: de SEK noteert sterker dan haar PPP-niveaus en de REER is zwakker dan de historische REER, terwijl de RIR-verschillen niet duidelijk pleiten voor een verdere appreciatie van de SEK.

Ten slotte kijken we ook naar de MXN, één van de interessantere munten buiten de G10. De Mexicaanse peso noteert aanzienlijk onder haar PPP niveau, zelfs in vergelijking met het historische verschil. Er is een sterke ontkoppeling van de RIR-bewegingen en de wisselkoers van de peso sinds de olieprijzen sterk terugvielen twee jaar geleden, waardoor de REER van de peso ver beneden de historische gemiddelde REER uitviel. Die zwakte zette zich de jongste tijd nog door, ondanks de strakkere houding van de centrale bank. Naast onzekerheid over een mogelijke renteverhoging door de Fed en de aanhoudend lage olieprijzen, zou de schuldige wel eens Donald Trump kunnen zijn, die het in de opiniepeilingen steeds beter doet.

Mail