maandag 12/11/2018

Top Header

Talen

Kiezen voor de zaaizak, niet voor de hakbijl

Senior Executive Advisor

Het recentste rapport van het Monitoringcomité creëerde optimisme bij de federale regering omdat de voorziene begrotingsinspanning voor 2016-2017 'maar' 2,4 miljard euro lijkt te bedragen. Maar waarom niet deze meevaller gebruiken om in de zomer meteen een begroting op te stellen voor 2017 en 2018? De volgende lokale verkiezingen vinden immers al in 2018 plaats en sluiten grote hervormingen dan uit. Een begroting voor twee jaar zou ook het vertrouwen bij investeerders en ondernemers kunnen verhogen.

Zo'n begroting vereist dan wel een ingrijpende oefening, want tot op heden blonk het begrotingsbeleid vooral uit in een gebrek aan focus. Enkele cijfers om dit te staven: het primair begrotingssaldo (het begrotingssaldo uitgezuiverd van rentelasten) zal in 2016 weer negatief worden, voor het eerst in vele jaren. Onder de regering-Di Rupo werd in 2012-2013 nog een structurele verbetering van het begrotingssaldo gemeten van 1,3 procent. Sindsdien is het structureel begrotingssaldo nauwelijks nog gewijzigd, of beter gezegd, er is niet verder 'bespaard'.

Het interview met Thomas Van Rompuy (Kanaal Z - 22 augustus 2016) :

Tegen 2018 moet de federale overheid een structurele besparing leveren van ongeveer 3,2 miljard euro. Opgeteld met de 2,4 miljard vereist dit een minimale inspanning van 5,6 miljard om in 2018 een structureel evenwicht te bekomen op de federale begroting. Enkele cyclische investeringen in acht genomen, komen we snel uit bij een vereiste inspanning van 7 miljard voor 2016-2018 over alle overheden heen. Dat is driemaal het leger afschaffen, of alle federale ambtenaren ontslaan, of de werkloosheidsuitkeringen en het brugpensioen een jaar afschaffen. Een kolossale inspanning dus.

Twee trajecten
Het lijkt erop dat er nog sterk zal moeten worden bespaard in een periode van lage groei. De taxshift heeft een gat in de begroting geslagen en daar zijn tot op heden nooit voldoende opbrengsten tegenover gesteld. Op zich hoeft een expansief begrotingsbeleid geen probleem te zijn, al wordt natuurlijk niet in die zin gecommuniceerd. De laatste jaren is de indruk gewekt dat enorme besparingen zijn doorgevoerd en dat de burgers al heel wat hebben ingeleverd. De cijfers duiden echter aan dat het beschikbaar inkomen van de burger sinds 2011 - op de uitzondering van 2013 na - gradueel is toegenomen. Het maatschappelijk draagvlak voor verdere besparingen is voor een groot stuk verbrand zonder dat ze daadwerkelijk zijn doorgevoerd. Deze perceptie is zodanig gevoed dat ze in de realiteit gevolgen dreigt te hebben.

Als de regering alsnog een coherent begrotingsbeleid wil voeren, dan dringen duidelijke keuzes zich meer dan ooit op. Er zijn twee trajecten:

  1. De hakbijl: de regering beslist dat ze de begroting definitief op orde wil stellen en gaat over tot een draconisch besparingsbeleid, wat moet leiden tot een geloofwaardig structureel begrotingsevenwicht in 2018. Hier zullen ongetwijfeld vele heilige huisjes voor moeten sneuvelen: de indexering afschaffen, de btw verhogen, het pensioenstelsel verder hervormen, de sociale zekerheid afromen… Dit dreigt sociale onrust te veroorzaken en vooral ook de precaire economische groei verder te ondergraven. De optie 'hakbijl' lijkt dus niet realistisch in het huidige klimaat.
  2. Investeren: ons voorstel is dat de regering het over een volledig andere boeg gooit. De Belgische overheid leent op een looptijd tot acht jaar tegen een negatieve rentevoet - een vorm van 'helikoptergeld'. De regering verlaat het onrealistische streven naar een begrotingsevenwicht in 2018. We kiezen dan voor een iets tragere afbouw van de schuldenlast vandaag, om onze schulden op lange termijn sneller te kunnen afbouwen. Een van de grote problemen voor België is namelijk dat het een potentieel groeiniveau heeft van ongeveer 1 à 1,5 procent, wat te laag is. Een verstandig investeringsbeleid kan ons potentieel groeiniveau verhogen. Dit kan door een combinatie van het verhogen van onze productiviteitsgraad (die al jaren afzwakt), het vergroten van het aantal mensen aan het werk en het verlengen van de loopbaan.

Studies van het Planbureau en competitiviteitsrangschikkingen geven aan dat investeringen in spoorwegen, autowegen en energienetwerken de grootste productiviteitswinsten kunnen voortbrengen. Maar de overheid is niet altijd even efficiënt in het toewijzen van middelen, daarom zou een verlaging van de vennootschapsbelasting en een verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt onze bedrijven de mogelijkheid bieden om deze investeringen in de realiteit te vertalen naar meer jobs en productiviteit.

België staat niet alleen
De crux is om de Europese Commissie te overtuigen dat deze uitgaven 'groeibevorderende investeringen' zijn, waardoor ze vallen binnen de uiterste begrotingslimieten maar wel afwijken van het vereiste evenwicht in 2018. België is vandaag niet het enige land dat geconfronteerd wordt met deze problemen. In Nederland en Ierland worden belangrijke belastingverminderingen aangekondigd en ook Italië verhoogt vanaf 2016 zijn publieke uitgaven. Deze landen hebben de voorbije jaren wel veel grotere structurele begrotingsinspanningen geleverd dan België. Buiten Europa pleiten ook de Amerikaanse presidentskandidaten Donald Trump en Hillary Clinton voor een expansiever budgettair beleid en een investeringsstrategie gericht op infrastructuur.

Welk begrotingstraject er ook gekozen wordt, het moet vooral geloofwaardig zijn en groei bewerkstelligen. De hakbijl of een investeringsbeleid, de keuze dringt zich deze zomer meer dan ooit op.

Dit artikel is ook gepubliceerd als opinie in De Standaard op 18 augustus 2016.

Mail