Onze experts informeren u over de recente evoluties van de markten.
Coronacrisis en inflatie: wat te verwachten?
Door Hans Bevers - Chief Economist
Sommige waarnemers vrezen dat de coronacrisis snel tot een fikse opstoot van inflatie zal leiden. Wij denken niet dat het zo’n vaart zal lopen maar houden wel degelijk rekening met het risico op iets langere termijn.
De coronacrisis luidt de terugkeer in van ‘The Great Inflation’, zo valt hier en daar te horen. Inderdaad, sommigen vrezen dat de inflatie significant zal oplopen wanneer de opgelegde beperkingsmaatregelen worden versoepeld. Die redenering is deels gebaseerd op de verwachting dat er een snelle inhaalbeweging van de vraag aankomt (uitgestelde consumptie) tegen de achtergrond van een grondig verstoord aanbod van goederen en diensten. Anderzijds wordt gewezen op het feit dat zowel regeringen als centrale banken een zelden geziene expansie doorvoerden van hun beleid. Die combinatie, zo luidt het, zal ertoe leiden dat de inflatie weldra zal uitstijgen boven de doelstelling van de centrale bank (in de meeste westerse landen om en bij de 2%).
Vraag en aanbod
De aangehaalde argumenten kunnen ons niet helemaal overtuigen, zeker niet op de korte termijn. Een eerste reden is dat de wereldwijde economische activiteit allicht nog geruime tijd ondermaats zal blijven. De graduele exit-strategie in combinatie met de oplopende werkloosheid en allicht aanhoudende risico-aversie van gezinnen en bedrijven om te consumeren en te investeren, betekent allicht dat de economie nog lange tijd ondermaats zal presteren. Inderdaad, het herstelproces zal naar alle waarschijnlijkheid lang en lastig zijn. Bekeken over alle sectoren heen, zal de vraag achterblijven bij het aanbod. De aanbodzijde zal relatief sneller herstellen naarmate de inperkingsmaatregelen worden afgebouwd. En anders dan na een oorlog is de infrastructuur en de beschikbare beroepsbevolking zo goed als volledig intact. Dat is niet meteen een omgeving die snelle prijsstijgingen in de hand werkt, wel integendeel.
Dat betekent uiteraard niet dat dit overal het geval is. Een hogere vraag of verstoringen in de toeleveringsketen kunnen wel degelijk tot hogere prijzen leiden. Het voorbeeld van de voedingssector ligt voor de hand. De prijs van graan en rijst ging eind maart fors hoger door toenemende vraag van consumenten (hamsteren) als van overheden (strategische voorraad aanvullen), terwijl exporterende landen uitvoerbeperkingen instelden. Bovendien zien bepaalde sectoren zich geconfronteerd met logistieke problemen, door een tekort aan personeel. Daarnaast maken bedrijven extra kosten om hun personeel en hun klanten te beschermen tegen het besmettingsrisico.
QE en inflatie
Met andere woorden, snel opverende inflatie is vooralsnog niet de hoofdbekommernis. In de meeste landen zorgt de oplopende werkloosheid voor koopkrachtverlies. En de aanhoudende onzekerheid leidt tot terughoudendheid bij gezinnen en bedrijven. Door de zwakke vraag naar goederen, diensten en investeringen halen de desinflatoire krachten op korte termijn de bovenhand. Daar komt nog bij dat de ineenstorting van de prijzen van gas, olie en industriële metalen ervoor zorgen dat vele regio’s en landen nu negatieve inflatiecijfers rapporteren. Voor alle duidelijkheid, bij inflatie draait het om de wijziging in het prijsniveau en niet om het prijsniveau zelf wat betekent dat het om een tijdelijk effect gaat. Het mag dus zeker niet verward worden met deflatie.
Hoe zit het dan met de grootschalige maatregelen van regeringen en centrale banken? Wel, het gaat op dit moment niet zozeer om stimulusmaatregelen, zoals wel eens gezegd wordt, maar eerder om steun- en overbruggingsmaatregelen. Ze zijn zowel bedoeld om het inkomensverlies van gezinnen en bedrijven te verlichten als om de financiële stabiliteit en de toegang tot commerciële bankleningen zo goed als mogelijk te vrijwaren. Wat de monetaire versoepelingsprogramma’s (kortweg QE) betreft, is het cruciaal om een onderscheid te maken tussen enerzijds het basisgeld en anderzijds de geldhoeveelheid.
Wanneer de centrale bank financiële activa (meestal gaat het om schuldpapier van overheden en bedrijven) koopt, neemt haar balanstotaal toe en daarmee de geldbasis. Maar de totale geldhoeveelheid in omloop stijgt daarom niet in dezelfde mate. Die laatste is vooral een functie van de bancaire kredietverlening aan gezinnen en bedrijven. En wanneer de economische vooruitzichten zwak zijn zal ook de vraag naar leningen zwak zijn. De liquiditeitsinjecties van centrale banken zullen maar tot opwaartse inflatiedruk leiden wanneer het geld via de alsmaar snellere groei van de kredietverlening ook effectief in de reële economie terechtkomt.
Opwaarts risico
Beleidsmakers beseffen natuurlijk dat het risico op deflatie op korte termijn groter is dan het risico op inflatie. En net in dat besef schuilt de reden waarom we er rekening mee moeten houden dat de inflatiecijfers na verloop van tijd toch opwaarts zouden kunnen verrassen. Inderdaad, centrale banken zullen er allicht alles aan proberen doen om de uitermate zwakke inflatieverwachtingen nieuw leven in te blazen om op die manier voor zichzelf terug meer monetaire beleidsruimte te creëren. Dat hangt samen met de forse stijging van de publieke schuldniveaus. Een scheut inflatie helpt immers om de reële schuldenlast te verlagen. Beleidsmakers, zowel langs monetaire als budgettaire kant, zouden maar wat blij zijn indien ze het voorbije decennium van oncomfortabel lage inflatie achter zich zouden kunnen laten.

Waar een wil is, is een weg, zo luidt het gezegde. Toch is dat veel gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ten eerste tonen de voorbije decennia – denk aan de ervaringen in Japan rond de eeuwwisseling en eurozone na de eurocrisis – dat hogere inflatiecijfers niet zomaar op bestelling komen. Ten tweede bestaat de kans dat de geloofwaardigheid van de overheidsinstellingen op de helling komt te staan wanneer het brede publiek zou ervaren dat opwaartse prijsdruk niet beantwoord wordt met een restrictiever beleid. De geschiedenis leert dat oplopende inflatieverwachtingen in dat geval riskeren te ontsporen met alle bijhorende economische schade vandien.
Op de middellange tot lange termijn zijn er nog twee andere tendensen die het opwaartse inflatierisico in de hand zouden kunnen werken. In essentie gaat het om de vergrijzing van de bevolking en het risico van deglobalisering. In het eerste geval luidt de redenering dat de groep van potentiële arbeidskrachten daalt ten opzichte van de groep van gepensioneerden waardoor de krapte op de arbeidsmarkt en daarmee het gemiddelde loonpeil toeneemt. In het tweede geval wordt uitgegaan van de verwachting dat de productie van goederen en diensten een meer regionaler karakter krijgt vanuit risico-overwegingen. Daardoor zou de niet aflatende zoektocht naar zo efficiënt mogelijke aanvoerketens, zoals het geval sinds de jaren negentig, op een lager pitje komen te staan. We gaan hier nu bewust niet dieper op in op deze twee fenomenen. De reden is niet alleen dat het grotendeels buiten het bestek van de coronacrisis valt, maar ook dat hier absoluut (nog) geen consensus rond bestaat onder economen. Bovendien moeten deze tendensen afgezet worden tegenover de mogelijkheid dat de digitalisering en de automatisering van een steeds groter deel van de productie neerwaartse prijsdruk zullen uitoefenen.
Conclusie
Alles wel beschouwd schatten we de kans op een snelle inflatieopstoot eerder beperkt in. De belangrijkste verklaring ligt in de verwachting dat de economische activiteit nog geruime tijd beneden het potentiële outputniveau zal blijven. De onzekerheid neemt natuurlijk toe naarmate we verder in de toekomst kijken. Op iets langere termijn sluiten we zeker niet uit dat de inflatiecijfers positief kunnen verrassen. Zowel de budgettaire als de monetaire beleidsmakers voelen zich (terecht) aangetrokken tot het voordeel van iets hogere inflatie.
Deel het artikel
Meer over:
Nijverheidsstraat 44 - 1040 Brussel België
Gereglementeerd door de Belgische Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) en de Nationale Bank van België BTW BE 0403 212 172 RPR Brussel
Gereglementeerd door de Belgische Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) en de Nationale Bank van België BTW BE 0403 212 172 RPR Brussel
Cookie policyEen cookie is een kleine verzameling van gegevens die door een website wordt verstuurd naar een webbrowser en die lokaal wordt opgeslagen op de computer of het elektronisch apparaat van de bezoeker waarop de browser werkt van onze website. Meer informatie over de cookies die worden gebruikt op onze website vindt u in ons Cookiebeleid en in ons Privacycharter.

U kunt uw voorkeuren te allen tijde wijzigen.
Voorkeuren voor cookies
Ik ga akkoord